Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beoordeling van de overige middelen
6.Beslissing
18 november 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die veroordeeld is wegens het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door het aanbrengen van tatoeages tegen de wil van twee slachtoffers op gevoelige delen van hun lichaam.
Het Hof had geoordeeld dat deze tatoeages, vanwege hun plaatsing op de liesstreek en rond de tepels, en het feit dat ze zonder medisch ingrijpen blijvend zijn, als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 302 Sr Pro moeten worden aangemerkt. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst erop dat de rechter de vrijheid heeft om letsel buiten de opsomming van artikel 82 Sr Pro als zwaar te kwalificeren, mits dit naar gewoon spraakgebruik gerechtvaardigd is.
De verdediging voerde aan dat tatoeages relatief pijnloos verwijderd kunnen worden en dat volledig herstel mogelijk is, maar de Hoge Raad acht dit onvoldoende om het oordeel van het Hof te weerleggen. Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden, wat leidt tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.
De Hoge Raad vernietigt daarom het vonnis alleen wat betreft de duur van de straf en vermindert deze van 29 maanden naar 27 maanden en 3 weken, waarvan 17 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot 27 maanden en 3 weken, waarvan 17 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.