ECLI:NL:HR:2014:3321

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 november 2014
Publicatiedatum
20 november 2014
Zaaknummer
14/01715
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:73 Awbparagraaf 7 lid 1 Besluit fiscaal bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn bezwaar en beroep

De zaak betreft verzoeken van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting van zijn belastingzaken over de jaren 2005 tot en met 2007. Het Gerechtshof Amsterdam had geoordeeld dat de redelijke termijn met ruim een jaar en vijf maanden was overschreden en kende een schadevergoeding van €4500 toe.

De Hoge Raad stelt vast dat het eerste pro forma bezwaarschrift op 29 oktober 2008 is ingediend en dat belanghebbende op eigen verzoek negen maanden uitstel kreeg voor de motivering van het bezwaar. Hierdoor werd de bezwaarprocedure met ruim acht maanden vertraagd door een bijzondere omstandigheid die aan belanghebbende is toe te rekenen.

De Hoge Raad oordeelt dat standaarduitstel voor motivering van een pro forma bezwaar van vier weken geen bijzondere omstandigheid vormt die tot termijnverlenging leidt. Rekening houdend met de aan belanghebbende toe te rekenen bijzondere omstandigheden is er geen overschrijding van de redelijke termijn van 24 maanden voor bezwaar en beroep tezamen.

Daarom vernietigt de Hoge Raad het deel van het hof dat het bedrag van de immateriële schadevergoeding vaststelde en vermindert deze van €4500 naar €3000. De overige onderdelen van het vonnis blijven in stand. De Hoge Raad wijst geen proceskosten toe.

Uitkomst: De immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt verminderd van €4500 naar €3000.

Uitspraak

21 november 2014
nr. 14/01715
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 27 februari 2014, nrs. 10/00138 tot en met 10/00148 en 11/00219 tot en met 11/00221, betreffende verzoeken van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting van zijn zaken. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
De zaken met Hofnummers 11/00219 tot en met 11/00221, door het Hof aangeduid als cluster 2, hebben betrekking op de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 2005 tot en met 2007 (hierna: cluster 2).
2.1.2.
Het eerste pro forma bezwaarschrift van cluster 2 is op 29 oktober 2008 ingediend. De Inspecteur heeft belanghebbende op zijn verzoek twee maal uitstel verleend voor het motiveren van dit bezwaar. De motivering is op 29 juli 2009 ontvangen.
2.1.3.
De Inspecteur heeft op 14 april 2010 uitspraak gedaan op dit bezwaar. Op het daartegen ingestelde beroep heeft de Rechtbank bij uitspraak van 10 februari 2011 beslist.
2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat de redelijke termijn voor de fase van bezwaar en beroep met één jaar en ruim vijf maanden is overschreden en dat aan belanghebbende voor rekening van de Inspecteur voor die fase een schadevergoeding van € 1500 moet worden toegekend. Van een bijzondere omstandigheid die tot termijnverlenging leidt is volgens het Hof geen sprake. Hiertegen richt zich het middel.
2.3.
Tussen de ontvangst van het bezwaar door de Inspecteur op 29 oktober 2008 en de uitspraak van de Rechtbank op 10 februari 2011 zijn twee jaar en ruim drie maanden verstreken. Dat betekent, afgezien van bijzondere omstandigheden, een overschrijding van de redelijke termijn met ruim drie maanden.
2.4.
Voor het herstellen van een verzuim dat kleeft aan een ingediend bezwaarschrift pleegt de inspecteur, gelet op paragraaf 7, lid 1, van het Besluit fiscaal bestuursrecht, een termijn van vier weken te stellen. Het tijdsverloop dat daarmee is gemoeid, kan daarom niet worden aangemerkt als een aan de belanghebbende toerekenbare bijzondere omstandigheid (vgl. HR 7 november 2014, nr. 14/01595, ECLI:NL:HR:2014:3117).
2.5.
Aangezien aan belanghebbende op zijn verzoeken in totaal negen maanden uitstel is verleend voor de motivering van het bezwaarschrift is de vertraging van de bezwaarprocedure voor ruim acht maanden veroorzaakt door een aan belanghebbende toe te rekenen bijzondere omstandigheid. Rekening houdend met deze bijzondere omstandigheid is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn van 24 maanden voor bezwaar en beroep tezamen.
2.6.
Het middel slaagt derhalve in zoverre en behoeft voor het overige geen behandeling. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De veroordeling van de Inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade, door het Hof vastgesteld op € 4500, moet met € 1500 worden verminderd tot € 3000.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover deze het bedrag van de door de Inspecteur te vergoeden immateriële schade betreft, en
stelt het bedrag van de door de Inspecteur te vergoeden immateriële schade vast op € 3000.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Libari, en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2014.