Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats], Duitsland,
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
14 februari 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek tot cassatie door de man tegen een beschikking van de rechtbank Den Haag die de tenuitvoerlegging van een Duitse alimentatiebeslissing en een Duitse proceskostenbeslissing weigerde. De weigering was gebaseerd op artikel 34 onder Pro 1 en onder 4 van de EEX-Verordening (Verordening (EG) Nr. 44/2001).
De Hoge Raad verwijst naar de beschikking van de rechtbank van 21 februari 2013 voor het geding in feitelijke instantie en behandelt in cassatie de klachten van de man. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 lid 1 RO Pro.
De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet leiden tot cassatie en dat nadere motivering niet nodig is omdat de klachten geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen. De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt daarmee de weigering tot tenuitvoerlegging van de Duitse beslissingen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de weigering tot tenuitvoerlegging van de Duitse beslissingen blijft in stand.