Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Arnhemvan 9 oktober 2012, nr. 12/00178, betreffende een aanslag in het recht van schenking.
Hoge Raad
Belanghebbende had een gezamenlijke aanslag in het recht van schenking opgelegd gekregen die later werd vernietigd door de Hoge Raad omdat de aanslag onterecht aan meerdere verkrijgers gezamenlijk was opgelegd. Na vernietiging legde de Inspecteur afzonderlijke aanslagen op aan belanghebbende en zijn echtgenote.
Het geschil betrof de vraag of deze tweede aanslagen rechtsgeldig waren en of de vervaltermijn voor het opleggen van de aanslag al was begonnen op het moment dat de schenking bekend werd bij de Inspecteur. Het Hof oordeelde dat de Inspecteur bevoegd was tot het opleggen van afzonderlijke aanslagen en dat de vervaltermijn pas ingaat na inschrijving van overlijden in de registers van de burgerlijke stand.
De Hoge Raad verwierp de middelen van belanghebbende die stelden dat sprake was van een dubbele aanslag en dat de vervaltermijn eerder moest aanvangen. De Hoge Raad bevestigde de uitleg van artikel 66 Successiewet Pro 1956 en oordeelde dat deze regeling niet in strijd is met discriminatieverboden. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de bevoegdheid van de Inspecteur tot oplegging van afzonderlijke aanslagen in het recht van schenking.