Belanghebbende ontving in 2006 twee bouwvergunningen eerste fase met bijbehorende legesaanslagen die aanvankelijk waren gebaseerd op een te hoog tarief voor reguliere bouwvergunningen. Na bezwaar werden deze aanslagen verminderd tot nihil en volgden nieuwe aanslagen met het juiste lagere tarief. Het Hof oordeelde dat de nieuwe aanslagen als navorderingsaanslagen konden worden gehandhaafd, ondanks het ontbreken van een nieuw feit.
De Hoge Raad stelde vast dat het opleggen van een tweede primitieve aanslag voor hetzelfde feit niet is toegestaan en dat de heffingsambtenaar een onjuiste opvatting had over het formele recht. De vermeende vergissing die het Hof aannam, bestond niet omdat de initiële aanslagen onjuist waren en verminderd hadden moeten worden in plaats van vervangen door nieuwe aanslagen.
Daarom vernietigde de Hoge Raad de aanslagen 2006 en bevestigde de rechtbankuitspraken die deze vernietiging ondersteunden. De aanslag bouwleges 2007 bleef ongewijzigd in stand. Tevens werd het College veroordeeld in de proceskosten van het cassatiegeding.