Uitspraak
1.Geding in cassatie
2 Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
2 december 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 26 oktober 2005. De Hoge Raad beoordeelt of de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro is overschreden bij de betekening van de verstekmededeling conform art. 366 Sv Pro.
De Hoge Raad herhaalt de criteria uit eerdere rechtspraak (ECLI:NL:HR:2008:BD2578) en stelt dat van overschrijding sprake is indien de verstekmededeling niet binnen een jaar na het arrest rechtsgeldig is betekend, of indien het Openbaar Ministerie niet de nodige voortvarendheid betracht heeft bij de betekening.
In deze zaak blijkt niet dat binnen een jaar na het arrest van het Hof een rechtsgeldige verstekmededeling is betekend. Dit leidt tot de conclusie dat de redelijke termijn is overschreden. Als gevolg daarvan vermindert de Hoge Raad de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf met twee maanden, van de oorspronkelijke duur naar een straf van een maand en twee weken.
Het beroep wordt voor het overige verworpen en de rest van de uitspraak blijft in stand. De beslissing is genomen door de strafkamer van de Hoge Raad op 2 december 2014.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd met twee maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn bij verstekmededeling.