ECLI:NL:HR:2014:3510

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 december 2014
Publicatiedatum
4 december 2014
Zaaknummer
13/05801
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26, lid 2, AWRArt. 6:11 AwbArt. 3:45 AwbWet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet BPM)Art. 81, lid 1, Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid bezwaar bij voldoening BPM zonder rechtsmiddelenclausule

Belanghebbende, een onderneming die personenauto's importeert en de bijbehorende formaliteiten voor kentekenregistratie afhandelt, heeft vijfmaal BPM-aangifte gedaan en de verschuldigde bedragen voldaan na ontvangst van betaalberichten van de Inspecteur. Zij maakte niet tijdig bezwaar tegen deze betalingen, waarna de Inspecteur de bezwaren niet-ontvankelijk verklaarde.

Het Gerechtshof oordeelde dat de aangifte en betaling van BPM handelingen zijn van de belastingplichtige zonder betrokkenheid van de Inspecteur, waardoor artikel 3:45 Awb Pro niet van toepassing is en het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule op het aangifteformulier of betaalbericht niet leidt tot verschoonbaarheid van het verzuim. Belanghebbende stelde in cassatie dat het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule op het aangifteformulier en betaalbericht het overschrijden van de bezwaartermijn verschoonbaar maakte op grond van artikel 6:11 Awb Pro.

De Hoge Raad bevestigt dat bij belastingen geheven door voldoening op aangifte geen beschikking van de Inspecteur wordt gegeven en artikel 3:45 Awb Pro daarom niet van toepassing is. Hoewel artikel 6:11 Awb Pro een beroep op verschoonbaarheid bij het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule toestaat, faalt dit verweer indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op de hoogte was van de bezwaarmogelijkheid en termijn. Gezien de bedrijfsmatige import en BPM-betaling kan belanghebbende dit niet succesvol aanvoeren.

De overige middelen leiden niet tot cassatie en de Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond. Er worden geen proceskosten opgelegd.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar bevestigd.

Uitspraak

5 december 2014
nr. 13/05801
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X] v.o.f.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 17 oktober 2013, nrs. 12/01141 tot en met 12/01145, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van de Rechtbank te Haarlem (nrs. AWB 12/2746, AWB 12/2747, AWB 12/2754, AWB 12/2755 en AWB 12/2759) betreffende door belanghebbende op aangiften voldane bedragen aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ‘s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een als conclusie van repliek aangemerkte ‘pleitnota’ ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende drijft een onderneming die zich bezighoudt met het importeren van personenauto’s en het afhandelen van de daarmee gepaard gaande formaliteiten die vereist zijn voor het verkrijgen van een kenteken, zoals het indienen van de ingevolge de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) vereiste aangifte met het oog op voldoening van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm).
2.1.2.
In de periode van 13 december 2011 tot en met 6 januari 2012 heeft belanghebbende vijf maal een aangifte bpm gedaan. De in de aangiften berekende bedragen aan bpm heeft belanghebbende voldaan nadat zij van de Inspecteur zogeheten betaalberichten had ontvangen.
2.1.3.
Belanghebbende heeft tegen de voldoening van de hiervoor in 2.1.2 bedoelde bedragen aan bpm niet tijdig bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de bezwaren daarom niet‑ontvankelijk verklaard.
2.2.
Het Hof heeft onder meer geoordeeld dat aangifte en voldoening van de verschuldigde belasting handelingen zijn van de belastingplichtige waarbij de Inspecteur niet is betrokken en dat de aard van deze handelingen zich daarmee verzet tegen toepassing van het voorschrift van artikel 3:45 Awb Pro. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat het aangifteformulier noch het betaalbericht schriftelijke beslissingen van een bestuursorgaan zijn zodat artikel 3:45 Awb Pro dienaangaande niet van toepassing is. In dat geval kan, aldus het Hof, redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat belanghebbende niet in verzuim is geweest zodat de Inspecteur belanghebbende terecht niet‑ontvankelijk heeft verklaard.
Tegen deze oordelen richt zich het eerste middel met het betoog dat noch op het aangifteformulier noch op het betaalbericht de mogelijke rechtsmiddelen waren vermeld en dat het nalaten daarvan aanleiding moet zijn de overschrijding van de termijn voor het maken van bezwaar op de voet van artikel 6:11 Awb Pro verschoonbaar te achten.
2.3.1.
Bij de behandeling van het eerste middel wordt het volgende vooropgesteld.
De bpm is een belasting die ingevolge artikel 6 Wet Pro BPM op aangifte moet worden voldaan. In artikel 26, lid 2, AWR is bepaald dat de voldoening of afdracht op aangifte van een bedrag als belasting voor de mogelijkheid van beroep wordt gelijkgesteld met een voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur. De wettelijke voorschriften inzake bezwaar en beroep tegen zodanige beschikking zijn van overeenkomstige toepassing voor zover de aard van de voldoening of afdracht zich daartegen niet verzet. Bij belastingen die worden geheven bij wege van voldoening of afdracht op aangifte is
- anders dan bij belastingen die bij wege van aanslag worden geheven - geen sprake van een door de inspecteur daadwerkelijk gegeven beschikking. Om die reden is bij belastingen die worden geheven bij wege van voldoening of afdracht op aangifte niet mogelijk een overeenkomstige toepassing van artikel 3:45 Awb Pro waarin is voorgeschreven dat bij de bekendmaking van besluiten waartegen bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld, moet worden vermeld door wie, binnen welke termijn en bij welk bestuursorgaan bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld (hierna: rechtsmiddelenclausule) (vgl. Kamerstukken II 2003/04, 29 251, nr. 6, blz. 12).
2.3.2.
Hetgeen hiervoor in onderdeel 2.3.1 is overwogen neemt niet weg dat een belanghebbende bij voldoening of afdracht van belastingen op aangifte zich bij overschrijding van de bezwaartermijn kan beroepen op artikel 6:11 Awb Pro met het verweer dat die overschrijding verschoonbaar is omdat een rechtsmiddelenclausule ontbrak. Dit verweer faalt in gevallen waarin op grond van de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een belanghebbende wist dat hij binnen een bepaalde termijn bezwaar moest maken.
2.3.3. ’
s Hofs uitspraak en de stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende bedrijfsmatig personenauto’s importeert en in dat kader met het oog op het verkrijgen van een Nederlands kenteken bpm voldoet op door haarzelf gedane aangiften. Van een dergelijke belastingplichtige kan redelijkerwijs worden aangenomen dat hij op de hoogte is van de mogelijkheid bij de inspecteur bezwaar te maken tegen het voldoen van bpm op aangifte, en van de termijn die daarvoor geldt. Een dergelijke belastingplichtige kan derhalve niet met vrucht een beroep doen op het bepaalde in artikel 6:11 Awb Pro op de enkele grond dat de inspecteur hem niet heeft gewezen op de mogelijkheid bezwaar te maken tegen de voldoening op aangifte.
Belanghebbende heeft bij haar beroep op artikel 6:11 Awb Pro geen andere gronden aangedragen, zodat het eerste middel reeds faalt op grond van hetgeen hiervoor in 2.3.2 is overwogen.
2.4.
De overige middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, E.N. Punt, P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2014.