Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
18 februari 2014.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. Echter zijn geen middelen van cassatie tijdig ingediend door een raadsman, zoals vereist volgens artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk verklaard moet worden. De Hoge Raad volgt dit advies en oordeelt dat het niet in acht nemen van de wettelijke termijn betekent dat het beroep niet ontvankelijk is.
Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren. De Hoge Raad verklaart de verdachte daarom niet-ontvankelijk in het cassatieberoep, waarmee het beroep wordt afgewezen zonder inhoudelijke behandeling.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatie wegens niet tijdig indienen van middelen van cassatie.