Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 29 juli 2014, nr. BK-12/00856, betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2009 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 29 juli 2014, waarin de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2009 werd bevestigd.
Het beroepschrift voldeed niet aan de vereisten van artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb, omdat het geen gronden van het beroep bevatte. De Hoge Raad heeft belanghebbende per aangetekende brief op 9 september 2014 in de gelegenheid gesteld dit te herstellen, maar belanghebbende heeft hier geen gebruik van gemaakt.
Daarom heeft de Hoge Raad met toepassing van artikel 6:6 Awb Pro het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad heeft geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd. Het arrest is op 12 december 2014 in het openbaar gewezen door de raadsheren Schaap, Fierstra en Wortel.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden in het beroepschrift.