Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3 Beslissing
18 februari 2014.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag. De advocaat van de verdachte heeft middelen van cassatie voorgesteld. De Advocaat-Generaal heeft geadviseerd het beroep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO).
De Hoge Raad heeft vervolgens beoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het beroep dan wel omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Op grond hiervan heeft de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Het arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter en de raadsheren W.F. Groos en V. van den Brink, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 18 februari 2014.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang of onvoldoende gronden.