Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tot herziening van het arrest van de
Hoge Raad der Nederlandenvan 20 december 2013, nr. 13/03690, ECLI:NL:HR:2013:2090.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft bij de Hoge Raad een verzoek tot herziening ingediend van een eerder arrest van 20 december 2013. De griffier heeft belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht binnen vier weken. Deze betaling is echter niet voldaan.
Na het verstrijken van de termijn heeft de griffier belanghebbende in de gelegenheid gesteld om redenen voor de termijnoverschrijding aan te voeren. De door belanghebbende aangevoerde gronden zijn niet voldoende om het verzuim te rechtvaardigen.
Op grond van artikel 8:41 lid Pro 6, tweede volzin, in verbinding met artikel 8:119 lid 2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht wordt het verzoek tot herziening daarom niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad acht geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten.
Het arrest is op 19 december 2014 in het openbaar uitgesproken door raadsheren Schaap, Fierstra en Wortel.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.