Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
4.Beslissing
19 december 2014.
Hoge Raad
Betrokkene was inbewaring gesteld op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz). De burgemeester gaf een last tot inbewaringstelling en de officier van justitie verzocht de rechtbank om machtiging tot voortzetting hiervan. Tijdens de mondelinge behandeling weigerde betrokkene de bijstand van de toegevoegde advocaat, waarna deze de kamer verliet.
De rechtbank verleende de machtiging tot voortzetting zonder te onderzoeken of betrokkene een andere raadsman wenste. Betrokkene stelde cassatieberoep in tegen deze beschikking. De Hoge Raad oordeelde dat bij weigering van de toegevoegde raadsman de rechter verplicht is te onderzoeken of betrokkene een andere raadsman wenst en dit in de beschikking moet vermelden.
De Hoge Raad benadrukte dat deze verplichting ook geldt bij de korte beslistermijn van art. 29 lid 3 Wet Pro Bopz. Omdat de rechtbank dit onderzoek niet had verricht, werd de beschikking vernietigd en verwezen naar de rechtbank Limburg voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug wegens onvoldoende onderzoek naar de wens van betrokkene voor een andere raadsman.