ECLI:NL:HR:2008:BD4375
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- J.C. van Oven
- F.B. Bakels
- C.A. Streefkerk
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Vaststelling eisen aan geneeskundige verklaring bij voortzetting inbewaringstelling psychiatrische patiënt
In deze zaak stond de voortzetting van een inbewaringstelling op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) centraal. De burgemeester van Delft had een last tot inbewaringstelling gegeven en de officier van justitie verzocht de rechtbank om een machtiging tot voortzetting hiervan. De rechtbank verleende deze machtiging, waarna betrokkene beroep in cassatie instelde tegen deze beschikking.
Het cassatieberoep richtte zich op de vraag of de rechtbank haar beslissing mocht baseren op een geneeskundige verklaring die niet was opgesteld door een specialist die betrokkene persoonlijk had onderzocht. De Hoge Raad stelde vast dat volgens het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (art. 5 lid Pro 1, aanhef en onder e) een dergelijke verklaring vereist is om het grondrecht op vrijheid te waarborgen.
De Hoge Raad oordeelde dat de geneeskundige verklaring die bij het verzoek tot voortzetting van inbewaringstelling moet worden overgelegd, moet zijn opgesteld door een niet-behandelend psychiater die betrokkene persoonlijk heeft onderzocht. Een verklaring van een arts die geen psychiater is, is ontoereikend, tenzij in noodsituaties. Hoewel het beroep ontvankelijk was, werd betrokkene niet-ontvankelijk verklaard omdat de geldigheidsduur van de machtiging was verstreken.
Deze uitspraak verduidelijkt de eisen aan medische verklaringen bij vrijheidsontneming van psychiatrische patiënten en benadrukt de bescherming van het grondrecht op vrijheid volgens het EVRM.
Uitkomst: Betrokkene werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens het ontbreken van belang na het verstrijken van de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling.