ECLI:NL:HR:2014:3685

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 december 2014
Publicatiedatum
19 december 2014
Zaaknummer
14/00493
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 585-590 RvArt. 440 lid 1 onder a RvArt. 1:10 BWArt. 1:11 BW
Verwijzingen
8 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling vordering tot tenuitvoerlegging bij lijfsdwang ter incasso van kinderalimentatie

In deze zaak stond de vraag centraal of de vordering tot tenuitvoerlegging bij lijfsdwang ter incasso van kinderalimentatie terecht was ingesteld en of het begrip 'woonplaats' in dit kader correct was toegepast. De man, eiser in cassatie, had tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden beroep in cassatie ingesteld. De vrouw, verweerder in cassatie, was niet verschenen.

De Hoge Raad verwees naar eerdere vonnissen en arresten van de rechtbank Arnhem en het hof Arnhem-Leeuwarden, die aan dit arrest waren gehecht. De conclusie van de Advocaat-Generaal strekte tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten niet relevant waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Uiteindelijk verwierp de Hoge Raad het beroep van de man en bepaalde dat iedere partij de eigen kosten van het cassatiegeding draagt. Het arrest werd gewezen door de raadsheren Streefkerk, Heisterkamp, Tanja-van den Broek en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer De Groot.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en iedere partij draagt de eigen kosten van het cassatiegeding.

Uitspraak

19 december 2014
Eerste Kamer
nr. 14/00493
LZ/LH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[de man],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. S. Kousedghi,
t e g e n
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 231656/KG ZA 12-373 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Arnhem van 7 augustus 2012;
b. de arresten in de zaak 200.112.835 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 oktober 2012 (tussenarrest) en 22 oktober 2013 (eindarrest).
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het eindarrest van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de vrouw is verstek verleend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.

3.Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
compenseert de kosten van het geding in cassatie
aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
19 december 2014.