Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Slotsom
4.Beslissing
19 december 2014.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Amsterdam veroordeeld voor het bezit van grote hoeveelheden softdrugs en het witwassen van circa 1,4 miljoen euro contant geld, aangetroffen op ongebruikelijke plaatsen in zijn woning. Het hof achtte bewezen dat de verdachte de criminele herkomst van het geld had verborgen en het geld voorhanden had, terwijl hij wist dat het afkomstig was uit een misdrijf.
De Hoge Raad oordeelt dat de bewezenverklaring omtrent het verbergen van de herkomst van het geld niet voldoet aan de eisen van de wet, mede gelet op de wetgeschiedenis van artikel 420bis Sr. Daarnaast stelt de Hoge Raad dat het hof niet begrijpelijk heeft gemotiveerd waarom het bezit van het geld als witwassen moet worden gekwalificeerd, aangezien het geld direct afkomstig was uit het door verdachte zelf gepleegde misdrijf.
De Hoge Raad vernietigt daarom het deel van het arrest dat ziet op het verbergen van de herkomst van het geld en de strafoplegging, en wijst de zaak terug naar het hof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling van dit onderdeel. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: Het arrest is gedeeltelijk vernietigd en de zaak is terugverwezen naar het hof Amsterdam voor hernieuwde beoordeling van het witwasaspect.