Uitspraak
,nummer RK 12/1195
,op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beoordeling van het derde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
18 februari 2014.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Rechtbank Arnhem het klaagschrift van klager ongegrond verklaard voor zover het betrekking had op de inbeslagneming van digitale bestanden onder een specifiek matternummer. De Rechtbank oordeelde dat klager geen beroep kon doen op een afgeleid verschoningsrecht omdat de stukken waren gevoegd in een dossier onder een ander matternummer waarvoor geen advocaat verantwoordelijk was.
De Hoge Raad stelt dat deze opvatting onjuist is. Het verschoningsrecht kan ook gelden voor stukken die bij een derde worden aangetroffen, en het prijsgeven van het verschoningsrecht door het voegen van stukken in een ander dossier is niet zonder meer aanvaardbaar. Daarom vernietigt de Hoge Raad het bestreden deel van de beschikking en verwijst de zaak terug naar de Rechtbank Gelderland voor hernieuwde behandeling.
De Hoge Raad verklaart klager ontvankelijk voor het deel van het beroep dat ziet op het matternummer waarop het verschoningsrecht wordt betwist, en niet-ontvankelijk voor het overige. De overige middelen worden verworpen. Hiermee wordt het belang van het verschoningsrecht bij digitale bestanden in beslag genomen tijdens strafrechtelijk onderzoek benadrukt.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het deel van de beschikking dat het klaagschrift ongegrond verklaarde over het matternummer [001] en verwijst de zaak terug naar de rechtbank.