Conclusie
1.De prejudiciële procedure
1.De prejudiciële procedure
2.Inleiding: een historische schets van de problematiek
de iureen (vooral)
de factowordt beschermd. [22] Zo is in het verleden de wijze waarop het verschoningsrecht werd geëerbiedigd bij het uitvoeren van telefoontaps frequent op de korrel genomen. In de praktijk bleek dat niet zelden per ongeluk vertrouwelijke telefoongesprekken tussen een advocaat en zijn cliënt werden afgeluisterd en dat de hiervan opgemaakte processen-verbaal niet steeds werden vernietigd. [23] Dit heeft uiteindelijk geleid tot het momenteel in gebruik zijnde systeem van nummerherkenning. [24] Dit systeem moet ervoor zorgen dat gesprekken die worden gevoerd met een als zodanig aangemelde geheimhoudertelefoon automatisch niet worden opgenomen. [25] Met dit systeem lijkt de rust enigszins te zijn weergekeerd, [26] althans op het vlak van de strafvorderlijke telefoontaps, [27] al wordt door sommigen nog altijd gepleit voor het herinvoeren van de oude situatie waarin het aftappen plaatsvond onder verantwoordelijkheid van de rechter-commissaris en niet onder die van de officier van justitie. [28]
De prejudiciële vragen, de door het hof vastgestelde feiten en de standpunten van partijen
De feiten
voorstel aan [betrokkene 2] met betrekking tot de aard van de stukken en of er geheimhoudersstukken tussen zaten", heeft [betrokkene 4] aan [betrokkene 2] verstrekt.
Uit die gang van zaken blijkt dat de advocaten in een zeer vroeg stadium bij de opdracht aan BDO betrokken waren en dat van een feitelijke opdracht door de Raad van Commissarissen toen nog geen sprake was. Voorts stelt de rechtbank vast dat het inschakelen van BDO verband hield met de door Box aan de advocaten toevertrouwde kwestie omtrent de verdenking van valsheid in geschrifte en witwassen. De rechtbank komt op grond van dit alles tot de conclusie dat BDO door de advocaten in het licht van een behoorlijke vervulling van hun taak als deskundige werd ingeschakeld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat bovengenoemde stukken van overtuiging als geheimhouderstukken dienen te worden aangemerkt. Voorts is niet gebleken dat deze documenten en digitale bestanden voorwerp van het strafbare feit uitmaken dan wel tot het begaan daarvan hebben gediend en evenmin dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden waarbij het belang van de waarheidsvinding moet prevaleren boven het belang dat met het verschoningsrecht wordt gediend.(...)"
Vraag 1
4.Het verschoningsrecht als algemeen rechtsbeginsel
De grondslag van het verschoningsrecht
Notaris Maas-arrest van 1 maart 1985 als volgt onder woorden te brengen:
Notaris Maas-arrest een geschikt vertrekpunt. In dit arrest overwoog de Hoge Raad onder meer dat (i) het in beginsel de verschoningsgerechtigde zelf is die bepaalt of hij vragen van een rechter kan beantwoorden zonder zijn verschoningsrecht te schenden; en (ii) dat de rechter dit standpunt dient te respecteren zolang hij ‘aan redelijke twijfel onderhevig acht of die beantwoording naar waarheid zou kunnen geschieden zonder dat geopenbaard wordt wat verborgen dient te blijven’ [90] Daar voegde de Hoge Raad nog aan toe (iii) dat de rechter hierbij slechts een marginale toetsing kan aanleggen. [91]
5.Het functioneel verschoningsrecht in het ‘klassieke’ domein
Inleiding
Het functioneel verschoningsrecht en de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden
de factoals het geldend beleidskader heeft gegolden. Gesproken kan gelet op het voorgaande worden van drie fases in het OM beleid, te weten die van het Besluit, de Handleiding en de Instructie (de eerste fase), die van de eerste concept-Aanwijzing en het Voorlopig beleid (de tweede fase) en die van de tweede concept-Aanwijzing en het Voorlopig handelingskader (de derde fase). [170]
nietgehouden zijn een machtiging te vragen - en dus een eigenstandige afweging mogen maken - indien hij zou menen dat de ‘mededelingen’ die hij bij de stukken wil voegen zijn gedaan aan of door iemand die weliswaar ook advocaat is, maar bij het doen of ontvangen van die mededelingen niet in die hoedanigheid optrad. Zie ik het goed, dan is het OM - ook in de onderhavige procedure - enige tijd van deze lezing van art. 126aa lid 2 Sv uitgegaan en heeft het op die lezing, tenminste enige tijd, het eigen beleid gebaseerd. [188]
forseeabilityvan de door de minister voorgestane ‘zorgvuldige procedure ten aanzien van geheimhouders’ zou worden verhoogd. [198] Het Besluit is op onderdelen als het ware buitenspel gezet door het Voorlopig beleid en daarna door het Voorlopig handelingskader. Daar ga ik in het onderstaande nog even aan voorbij.
4. Inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden
anderemededelingen door of aan een geheimhouder behelzen (ten aanzien waarvan hij zich niet zou kunnen verschonen), wordt dit niet bij de processtukken gevoegd dan na voorafgaande machtiging door de rechter-commissaris (artikel 126aa lid 2 laatste volzin Sv).
geenmededelingen door of aan een geheimhouder behelzen, wordt dit door de geheimhouder officier van justitie ter beschikking gesteld aan het onderzoeksteam.
4. Inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden
nainbeslagneming van stukken of vastlegging van gegevens een redelijk vermoeden ontstaat dat zich tussen deze stukken of gegevens verschoningsgerechtigd materiaal bevindt, omdat:
false positivesof mededelingen van een verschoningsgerechtigde die niet onder een verschoningsrecht vallen)
corporaof
instrumenti delicti.
7.Het nieuwe Wetboek van Strafvordering (NSv)
Inleiding
Artikel 2.7.58
Redelijk vermoeden dat functioneel verschoningsgerechtigde informatie zich tussen de inbeslaggenomen voorwerpen of te onderzoeken gegevens bevindt
Artikel 2.7.71
8.Een internationaalrechtelijk perspectief
Inleiding
ex anteof
ex post) en de aanwezigheid van procedurele waarborgen. [312]
9.Slotsom
ex antebeter dan een rechterlijke toetsing
ex post(bijvoorbeeld langs de weg van art. 359a Sv). [330]