ECLI:NL:HR:2014:396

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 februari 2014
Publicatiedatum
20 februari 2014
Zaaknummer
11/04252
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Uitspraak na prejudiciële beslissing
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 lid 1 sub a Richtlijn 87/344/EEGWet op het financieel toezicht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg overeenkomst rechtsbijstandverzekering en recht op vrije keuze rechtshulpverlener

Deze zaak betreft de uitleg van een overeenkomst inzake rechtsbijstandverzekering, met name de vraag of een verzekerde het recht heeft om een externe advocaat te kiezen zonder dat dit afhankelijk is van een besluit van de verzekeraar. De Hoge Raad verwijst naar eerdere arresten, waaronder het arrest van 28 september 2012 en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 7 november 2013, waarin het recht op vrije keuze van een rechtshulpverlener centraal stond.

De Hoge Raad stelt vast dat de richtlijn 87/344/EEG zich verzet tegen bedingen die de vergoeding van rechtsbijstand afhankelijk maken van een beslissing van de verzekeraar over het inschakelen van een externe rechtshulpverlener. Dit geldt ook als procesvertegenwoordiging niet verplicht is. De verzekeraar kan dus niet bepalen dat alleen bij uitbesteding aan een externe partij kosten worden vergoed.

Omdat DAS reeds instemde met een procedure voor de kantonrechter, had het hof de vordering van eiser moeten toewijzen. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam en verwijst de zaak naar het gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling, mede omdat door tijdsverloop delen van de vordering mogelijk hun belang hebben verloren. Tevens veroordeelt de Hoge Raad DAS in de kosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling, bevestigend dat de verzekerde recht heeft op vrije keuze van een rechtshulpverlener zonder voorafgaande toestemming van de verzekeraar.

Uitspraak

21 februari 2014
Eerste Kamer
11/04252
LZ/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaten: mr. A.H.H. Vermeulen en mr. A.H. Vermeulen,
t e g e n
DAS NEDERLANDSE RECHTSBIJSTAND VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaten: mr. J.W.H. van Wijk en mr. J. van Duijvendijk-Brand.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en DAS.

1.Het geding

Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar:
a. zijn arrest in de zaak 11/04252 van 28 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7507;
b. het arrest in de zaak C-442/12 van het Hof van Justitie van de Europese Unie te Luxemburg van 7 november 2013.
Deze arresten zijn aan dit arrest gehecht.
De nadere conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.

2.Verdere beoordeling van het middel

2.1
De Hoge Raad heeft in zijn tussenarrest van 28 september 2012 vragen van uitleg gesteld aan het HvJEU, en heeft iedere verdere beslissing aangehouden in afwachting van de uitspraak van het HvJEU.
2.2 Het HvJEU heeft in zijn arrest van 7 november 2013, nr. C-442/12, op de door de Hoge Raad gestelde vragen voor recht verklaard:
“1) Artikel 4, lid 1, sub a, van richtlijn 87/344/EEG van de Raad van 22 juni 1987 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de rechtsbijstandverzekering, moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een rechtsbijstandverzekeraar die in zijn verzekeringsovereenkomsten regelt dat rechtsbijstand in beginsel wordt verleend door zijn werknemers, tevens bedingt dat de kosten van rechtsbijstand van een door de verzekerde vrij gekozen advocaat of rechtsbijstandverlener slechts vergoed kunnen worden indien de verzekeraar van mening is dat
de behandeling van de zaak aan een externe rechtshulpverlener moet worden uitbesteed.
2) Voor de beantwoording van de eerste vraag maakt het geen verschil of rechtsbijstand voor de desbetreffende gerechtelijke of administratieve procedure naar nationaal recht verplicht is.”
2.3
Uit de beantwoording van de prejudiciële vragen door het HvJEU volgt dat de onderdelen 1 en 2 van het middel terecht aanvoeren dat het recht op vrije keuze van een rechtshulpverlener niet afhankelijk is van een besluit van de rechtsbijstandverzekeraar dat de zaak door een externe rechtshulpverlener zal worden behandeld.
Die onderdelen slagen dan ook in zoverre. Voor het overige behoeft het middel geen behandeling.
2.4
Nu reeds in eerste aanleg vaststond dat DAS instemde met het voeren van een procedure voor de kantonrechter, had het hof de primaire vordering van [eiser] moeten toewijzen. Uit het antwoord van het HvJEU op de tweede prejudiciële vraag volgt dat daartoe – anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen – geen debat behoefde plaats te vinden over de vraag of [eiser] het recht had zich door een advocaat te laten bijstaan in een procedure waarbij procesvertegenwoordiging niet verplicht is. Voorts heeft DAS niet gesteld dat zij met [eiser] beperkingen van de te vergoeden kosten is overeengekomen als bedoeld in de punten 26 en 27 van het arrest van het HvJEU.
2.5
De Hoge Raad zal de zaak niet zelf afdoen maar het geding verwijzen, aangezien de mogelijkheid bestaat dat gedeelten van de primaire vordering door tijdsverloop hun belang hebben verloren.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 26 juli 2011;
verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt DAS in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 465,99 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
21 februari 2014.