Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
4.Beslissing
21 februari 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over de vaststelling van de kinderalimentatie na het uiteengaan van de ouders, waarbij twee minderjarige kinderen betrokken zijn. De vrouw vorderde een bijdrage van €700 per kind per maand, terwijl de man primair afwijzing verzocht en subsidiair een lagere bijdrage van €195 per kind per maand. De rechtbank stelde een bijdrage van €225 per kind vast, het hof verhoogde dit naar €325 per kind.
De man stelde in cassatie dat het hof onjuist was uitgegaan van fictieve inkomsten bij de bepaling van de behoefte van de kinderen, met name dat het hof uitging van inkomsten die hij had kunnen hebben in plaats van daadwerkelijk had. Het hof had geoordeeld dat de man onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn inkomen lager was dan €1.000 netto per maand en dat hij onvoldoende inzicht had gegeven in inkomsten uit verhuur van panden, waardoor het hof deze inkomsten schatte.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechter vrij is om bij onvoldoende inzicht in het inkomen van de alimentatieplichtige een schatting te maken van dat inkomen. Dit geldt ook als die inkomsten van belang zijn voor de bepaling van de behoefte van de kinderen. De klachten van de man werden verworpen en het cassatieberoep afgewezen.
Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt dat rechter bij onvoldoende inzicht inkomen alimentatieplichtige vrij is dit te schatten bij vaststelling kinderalimentatie.