Conclusie
de moederrespectievelijk
de vader.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
Feiten
[zoon 1]).
[zoon 2]), geboren op [geboortedatum] 1998. [zoon 2] is meerderjarig.
)vast te stellen dat de vader een vordering op de moeder heeft ter hoogte van een nader door de rechtbank te bepalen bedrag, vanwege teveel betaalde alimentatie van 1 januari 2018 tot 1 januari 2021.
Daarbij heeft zij voorts aanvullend verzocht de vader te veroordelen in de proceskosten.
De moeder heeft een antwoordakte houdende overlegging producties van 2 november 2021 genomen.
Voorts heeft de vader incidenteel hoger beroep ingesteld en enkele zelfstandige verzoeken gedaan. Kort samengevat heeft de vader het hof verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: [3]
Op 28 juni 2023 heeft het hof de door de vader gemaakte berekeningen ontvangen.
Op 25 juli 2023 heeft het hof de door de moeder gemaakte berekeningen ontvangen nadat de eerdere berekeningen waren teruggestuurd door het hof. [8]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Om het geschil tussen partijen niet nog verder te laten escaleren zal het hof zich beperken tot de essentie van de zaak en onnodige ballast onbesproken laten.
Volgens de motiveringsklacht is althans zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, dan wel onvoldoende gemotiveerd wat het hof precies verstaat onder ‘onnodige ballast’ en waarom een ten gronde beslissing aan de hand van alle essentiële stellingen en feiten de zaak verder doet escaleren.
onderdelen I en IIrichten zich tegen oordelen van het hof in rov. 4.5 t/m 4.7. Voor de volledigheid citeer ik ook rov. 4.4:
Behoefte [zoon 1]
nietvolgt dat de vader vanaf 2015 (uitsluitend) € 68.000,- loon uit dienstbetrekking genoot. De moeder heeft juist gesteld dat de vader op basis van de
IB-aangifte 2015 € 88.777,- inkomen uit zijn vennootschap onder firmagenoot. [11] ’s Hofs motivering dat de moeder zelf stelt dat de vader vanaf 2015 een inkomen genoot van € 68.000,- is dus onbegrijpelijk, evenals zijn conclusie dat de vader ook in 2017 € 68.0000,- verdiende.
andereinkomensbronnen had en een totaalinkomen van € 105.000,- genoot. Verder klaagt het subonderdeel dat er zonder de (niet overgelegde) IB-aangiften 2016 en 2017 geen reden is om aan te nemen dat de vader in 2016 en 2017 minder verdiende dan in 2015.
subonderdelen I.1 t/m I.4en
onderdeel IIlenen zich voor gezamenlijke behandeling.
door de rechtbank in redelijkheid begrote gezinsuitgaven van € 5000,- per maand een goede basis [vormen] voor de berekening van de behoefte”) heeft vastgesteld.
U vroeg wat de kosten zijn in 2017. Ik heb een overzicht ooit ingediend bij de afwikkeling van de boedel, de wederpartij weet dit. [In] 2017 hebben wij gezamenlijk € 60.000,-- aan kosten gehad voor het huishouden.”
Onvolledige gegevens van de man
gezinsuitgaven. Zij stelt in haar beroepschrift (met door mij aangebrachte onderstreping):
waarmee hij zijn inkomen heeft teruggebracht van ruim € 88.000 in 2015 naar ruim € 68.000 per jaarterwijl zijn bedrijf groeit. De gezinsuitgaven zijn in die tijd niet gedaald en de vrouw heeft daarvoor aantoonbaar bijgepast uit haar spaargelden. De Rechtbank erkent in 3.14 van de beschikking dat de omzetting van de vennootschap onder firma van de man in meerdere B.V.’s geen invloed dient te hebben. De keuze van de man om zijn onderneming(en) onder te brengen binnen een holdingstructuur laat de rechtbank voor wat het is: de man ontplooit nog steeds dezelfde activiteiten en deze keuze dient niet ten nadele van [zoon 1] te strekken’. Toch heeft de rechtbank voor de behoefte zonder enige motivatie een andere keuze gemaakt en is uitsluitend uitgegaan van het door de man zelf bepaalde en vanuit zijn BV betaalde salaris van 2017 in plaats van […] de wel volledig aantoonbare inkomsten van de man van 2015.
toev. a-g) is het inkomen van de man in 2015, direct vóórdat hij (...) een constructie bestaande uit een aantal vennootschappen had opgetuigd (...). (...) er is geen enkele reden om aan te nemen dat de zaken van de man in 2016 en 2017 minder goed liepen dan daarvoor. Hij heeft dit zelf ook niet gesteld, noch aangetoond. Om deze reden heeft de vrouw het inkomen van de man uit 2015 als maatgevend (...) gebruikt voor 2015 t/m 2017 in haar berekeningen. Dit is ook wat zij bedoelt met de ‘meest concrete beschikbare informatie’ (...). De vrouw benadert hiermee zo goed mogelijk de middeling van de laatste drie jaren voorafgaand aan de scheiding, zoals gebruikelijk voor ondernemers.”
het enige zuivere inkomen” is dat bekend is. [32]
gemiddeldeinkomen van de vader in de jaren 2015 t/m 2017, waarvoor – bij gebreke van door de vader te verschaffen financiële gegevens over de jaren 2016 en 2017 – het (wel bekende) inkomen in
2015representatief moet worden geacht.
Dit was dus ook het geval in 2017, het jaar dat partijen uit elkaar zijn gegaan”). Dit volgt ook uit de verwijzing van het hof naar het rechtbankvonnis (rov. 4.4-4.5
).Het stond het hof vrij om van dit peiljaar uit te gaan. Deze keuze wordt in cassatie als zodanig ook niet bestreden.
subonderdeel I.1, eerste klacht).
subonderdeel I.1, tweede klacht,
subonderdeel I.3en
onderdeel II, tweede klacht, hierover klagen, falen deze.
subonderdeel I.3).
subonderdeel I.1, tweede klacht,
subonderdelen I.2 en I.3,
onderdeel II, tweede klacht). Op de moeder rust de stelplicht aangaande het voor de behoeftevaststelling relevante inkomen van de vader [34] ; haar stellingen komen er op neer dat zij geen inzicht heeft in zijn inkomen in 2017. Weliswaar rust op de vader een waarheidsplicht (art. 21 Rv Pro) en behoort de IB-aangifte 2017 tot zijn domein, maar het hof was niet gehouden die aangifte op te vragen en mocht op basis van de wel voorhanden zijnde informatie een beslissing nemen over de behoefte. [35] De vader heeft onder verwijzing naar producties gesteld dat zijn bruto jaarinkomen in de jaren 2017, 2018 en 2019 een bedrag van € 68.100,-, € 68.556 respectievelijk € 68.100,- beliep. [36] Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof op grond van de wel voorhanden informatie aannemelijk geacht dat het inkomen van de vader in 2017 een bedrag van € 68.100,- beliep.
subonderdeel I.1tegen deze oordelen opkomt, faalt het.
subonderdeel I.4faalt in het voetspoor van de subonderdelen I.1 t/m I.3.
onderdeel II, tweede klacht, onder a) dat, door te rekenen met de inkomensgegevens uit 2017, de keuze van de vader om zijn onderneming onder brengen binnen een holdingstructuur, ten nadele van de alimentatiegerechtigde strekt, heeft het hof onderkend, maar verworpen in rov. 4.5 (“
Het is in beginsel aan de ondernemer om te bepalen in welke vorm hij een onderneming wenst te exploiteren. Het feit dat de vader zijn onderneming in een BV is gaan exploiteren, hetgeen zijn grond kan vinden in beperking van aansprakelijkheid, acht het hof een gegronde reden”).
Onderdeel II, tweede klacht, faalt ook in zoverre.
onderdeel II, tweede klacht.
onderdelen I en IIfalen.
Ter illustratie van”) het eraan voorafgaande betoog van de moeder (beroepschrift, rnr. 16) dat, gelet op de weigerachtige houding van de vader, bij de behoeftebepaling tevens rekening moet worden gehouden met
toekomstige(onvoorziene) bijzondere kosten. Beroepschrift rnr. 17 noemt in dit verband een
mogelijkebeugel en
mogelijkduurder tweetalig middelbaar onderwijs. Het hof heeft deze mogelijke toekomstige posten kennelijk niet meegenomen bij de behoeftebepaling. Te dien aanzien geldt dat het de rechter vrijstaat bij de vaststelling van een uitkering tot levensonderhoud al op voorhand rekening te houden met een omstandigheid die voor die uitkering van belang is en waarvan met een redelijke mate van zekerheid vast staat dat die zich in de toekomst zal voordoen. De rechter is echter niet verplicht vooruit te lopen op toekomstige veranderingen in de kosten. [42] Het hof kon daarom de genoemde posten buiten beschouwing laten bij de behoeftebepaling. Als na verloop van tijd blijkt dat de behoefte van [zoon 1] als gevolg van de verwezenlijking van die posten groter is dan het hof heeft vastgesteld, staat het de moeder vrij wijziging van kinderalimentatie te verzoeken (art. 1:401 lid 1 BW Pro). [43]
voortsdat de klacht dat het hof, voortbouwend op de met onderdeel 0 bestreden rov. 4.1, miskent dat genoemde posten geen ‘onnodige ballast’, maar reële behoefte bepalende kosten vormen, faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
Draagkracht vader
uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de feitenrechter terughoudend dient te zijn met betrekking tot de vaststelling van het inkomen van de DGA alsmede of hij dividend kan uitkeren.”. Volgens het subonderdeel miskent het hof daarmee dat het aan de hand van alle relevante omstandigheden ‘vol’ moet toetsen of het salaris dat een DGA zichzelf toekent ook het salaris is dat hij redelijkerwijs kan verdienen. [44] Subonderdeel IV.2klaagt dat het hof niet duidelijk maakt uit
welkerechtspraak van de Hoge Raad zou volgen dat de rechter terughoudend dient te zijn met betrekking tot de vaststelling van het inkomen van de DGA.
Aan de rechter komt, anders dan het onderdeel betoogt, geen volle toetsing toe maar slechts een marginale in die zin dat de alimentatierechter zal kunnen toetsen of de keuzes die de dga heeft gemaakt begrijpelijk zijn in het licht van het debat van partijen en van de huidige en toekomstige financiële situatie van de vennootschap. Kennelijk is ook het hof daarvan uitgegaan in rov. 15 waar het overweegt dat het ‘
in beginselter beoordeling van de bestuurder van de vennootschap’ (curs. A-G) is om bij aanwezigheid van winstreserves wel of niet tot dividenduitkeringen over te gaan. Onderdeel 1.2 faalt derhalve.”
achteraf’(dus
ex nunc) zijn loon kan verhogen of dividend kan uitkeren, terwijl het had moeten toetsen of de vader in het jaar waarover zijn alimentatieplicht moet worden vastgesteld zichzelf meer had kunnen toekennen dan hij heeft gedaan (toetsing
ex tunc).
gezien’ zijn loon had kunnen verhogen of dividend had kunnen uitkeren, met andere woorden of moet worden uitgegaan van fictieve draagkracht in de zin van voormelde rechtspraak van uw Raad. Het hof heeft zich immers voorgenomen het inkomen van de vader ‘vanaf 1 januari 2018 tot heden’ te beoordelen (rov. 4.8), in welk verband het heeft vastgesteld dat in theorie aan twee knoppen kan worden gedraaid: verhoging van het loon en dividenduitkering (rov. 4.10). Het hof is voorts aan de hand van de jaarstukken 2021 van twee vennootschappen tot de bevinding gekomen dat destijds geen ruimte bestond voor salarisverhoging of winstuitkering (rov. 4.12 en 4.13), op grond waarvan het de voorliggende vraag ontkennend heeft beantwoord (rov. 4.12, slot).
(a)(beroepschrift, rnr. 14) gedaan in het kader van de grief over de behoeftevaststelling en is het reeds om die reden niet onbegrijpelijk dat het hof de stelling heeft gepasseerd bij de draagkrachtbepaling. De klacht faalt.
geconsolideerde [66] jaarstukken en IB-aangiften heeft gevraagd, dat de moeder in feitelijke instanties op de onvolledigheid van de stukken heeft gewezen, [67] dat de moeder de vader om deze financiële gegevens heeft verzocht en dat de vader aan deze verzoeken geen gevolg heeft gegeven. Er wordt geklaagd dat het hof heeft miskend dat de vader niet heeft voldaan aan art. 21 Rv Pro en de op hem rustende stelplicht van de tot zijn domein behorende stukken, althans dat het niet duidelijk maakt waarom het art. 21 Rv Pro niet toepast of, indien het hof art. 21 Rv Pro wel heeft toegepast, waarom het geen kenbare consequenties heeft verbonden aan het niet overleggen van de financiële stukken.
In het kader van de draagkrachtbepaling heeft het hof overwogen
“dat de vader voldoende transparantie heeft verstrekt met betrekking tot zijn financiële positie” (rov. 4.14). Die overweging moet worden bezien in het licht van de voorgaande overwegingen (rov. 4.8 t/m 4.13), waar het hof aan de hand van de financiële gegevens van [A] BV en [C] BV heeft onderzocht of de vader zijn salaris kon verhogen of dividend kon uitkeren. De (jaarstukken van de) vennootschappen waar de vader niet direct een meerderheidsbelang had, heeft het hof – niet onbegrijpelijk – buiten beschouwing gelaten. In deze overwegingen ligt besloten dat het hof de stellingen van de vrouw onder ogen heeft gezien, maar heeft verworpen. De klachten falen.
onderdeel V, derde klacht, [72] is het oordeel in rov. 4.11 t/m 4.13 onbegrijpelijk, nu uit de gedeponeerde jaarrekening van [B] BV 2021 blijkt dat er voldoende liquide middelen zijn, enerzijds om de ten laste van de draagkracht gebrachte schulden van de vader af te lossen, anderzijds om een aanmerkelijk hoger salaris toe te kennen. [73]
moreleonderhoudsverplichting op zich kan hebben genomen jegens zijn oudere meerderjarige kind. Volgens uw Raad moet, als een ouder zich redelijkerwijs gehouden acht te blijven voorzien in de kosten van levensonderhoud van een meerderjarig (studerend) kind, met een dergelijke bijdrage rekening worden gehouden bij de draagkrachtbepaling. [76]
wettelijkealimentatieverplichtingen. Dit artikel bepaalt:
wettelijkeonderhoudsverplichting jegens een minderjarig of jongmeerderjarig kind en de
moreleonderhoudsverplichting jegens een kind van 21 jaar of ouder, heeft uw Raad zich bij mijn weten nog niet eerder uitgelaten.
onvoldoende draagkrachtde wettelijke onderhoudsverplichting jegens een minderjarig kind voorgaat op de morele onderhoudsverplichting jegens een kind van 21 jaar of ouder. [78]
vrije draagkrachtruimte”). Mijns inziens strookt dat niet met de wettekst en de strekking van art. 1:400 BW Pro. Art. 1:400 lid 1 BW Pro strekt er immers toe dat de verplichting die ouders (ook na echtscheiding) hebben om een bijdrage te leveren aan de opvoeding en verzorging van de kinderen, voor te laten gaan op andere verplichtingen van de ouders. De voorrangsregel van art. 1:400 lid 1 BW Pro strekt er niet toe de financiële positie van de andere alimentatieplichtige te verbeteren. Ook in zoverre faalt de klacht.
moedervan [zoon 2] . Het verwijst daartoe naar HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012: BX1295,
NJ2012/498 m.nt. S.F.M. Wortmann.
Althans indien dit al anders is”),begrijp ik de klacht zo dat ook hier alleen wordt geklaagd over de periode nadat [zoon 2] 21 jaar is geworden. In genoemde beschikking van uw Raad van 13 juli 2012 ging het om de bepaling van de draagkracht van de vader in het kader van kinderalimentatie voor zijn dochter uit zijn eerste, inmiddels beëindigde relatie. De vader was vervolgens gehuwd, uit welk huwelijk nog twee kinderen waren geboren. Het hof had de draagkracht van de man gelijkelijk verdeeld over zijn drie kinderen, nu het onvoldoende aannemelijk achtte dat de behoefte van de kinderen verschillend was. In cassatie werd geklaagd dat het hof geen rekening had gehouden met de invloed die het inkomen van de nieuwe partner van de man had op de behoefte van de twee uit dat huwelijk geboren kinderen en dat het hof geen gevolgtrekking had verbonden aan de weigering van de man om inkomensgegevens van zijn echtgenote over te leggen. Uw Raad casseerde en overwoog dat, indien een ouder een nieuwe relatie is aangegaan waaruit kinderen zijn geboren, niet alleen rekening moet worden gehouden met het feit dat die ouder verplicht is om tevens bij te dragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van die kinderen, maar ook met het feit dat op de andere ouder van die kinderen eenzelfde verplichting rust of kan rusten. Aldus kan de bijdrageverplichting van die andere ouder mede van invloed zijn op het voor een kind uit een eerdere relatie beschikbare gedeelte van de draagkracht van de jegens dat kind onderhoudsplichtige ouder. Het hof kon daarom niet voorbijgaan aan het betoog van de moeder dat de vader de inkomensgegevens van zijn echtgenote dient over te leggen. [79] Deze bendering geldt zowel voor kinderen uit eerdere relaties als voor kinderen uit latere relaties van de onderhoudsplichtige. [80]
wettelijkeonderhoudsverplichtingen voor
minderjarigekinderen. Dat doet de vraag rijzen of die rechtspraak op het onderhavige geval van toepassing is, nu het hier immers gaat om de samenloop tussen de wettelijke onderhoudsverplichting van de vader voor een minderjarig kind en zijn morele onderhoudsverplichting voor een kind ouder dan 21 jaar, waarbij de morele onderhoudsverplichting mag worden meegenomen bij de draagkrachtbepaling, omdat er sprake is van een draagkrachtoverschot (zie mijn bespreking van subonderdeel VI.1). Bovendien staat niet vast dat op de moeder van [zoon 2] een bijdrageverplichting rust. Wat daarvan zij, uit de gedingstukken blijkt niet dat het hof beschikte over inkomensgegevens van de moeder van [zoon 2] , terwijl het middel evenmin verwijst naar vindplaatsen van de stelling van de moeder dat de vader die inkomensgegevens moet overleggen. Het hof behoefde reeds daarom niet vast te stellen welk deel voor rekening van de moeder van [zoon 2] dient te komen. De klacht faalt.
Subonderdeel VI.3is gericht tegen rov. 4.15 van de bestreden beschikking. Het middel voert aan dat, anders dan het hof stelt, niet vaststaat dat [zoon 2] met goed gevolg studeert. De vader heeft namelijk geen studieresultaten overgelegd en er staat zelfs niet vast of [zoon 2] nog studeert. Verder voert het onderdeel aan dat de vader zelf heeft gesteld [82] dat [zoon 2] medio 2023 zijn masterstudie zou afronden en dat hij aldus ten tijde van de bestreden beschikking klaar zou zijn met zijn studie.
Onderdeel VIIis gericht tegen de tweede helft van rov. 4.15 van het bestreden arrest:
welmeewegen van schulden die men ook niet zou kunnen meewegen, wordt (in de regel) niet vereist. [94]
Onderdeel VIIIis gericht tegen rov. 4.8 t/m 4.17 van de bestreden beschikking. Er wordt geklaagd dat het hof de stellingen van de moeder onbesproken heeft gelaten dat de werkelijke woonlasten van de vader door samenwonen met zijn nieuwe partner aanzienlijk lager zijn dan het daarvoor bestemde forfait en dat deze lage woonlasten meegerekend dienen te worden bij het bepalen van zijn draagkracht. [96]
Bij afwijking hiervandienen alle relevante werkelijke bedragen in acht te worden genomen, zoals de woonlasten van de man. Deze zijn aanzienlijk lager dan het daarvoor bestemde forfait, doordat hij kort na de scheiding is gaan samenwonen. Hiermee kan hij zijn mogelijke uitgaven voor schulden compenseren […].”
“bij afwijking”van de forfaits voor de kosten van schulden, moet ook worden afgeweken van de forfaitaire bedragen voor de woonlasten. Nu het hof de kosten van de schulden die door de man zijn aangevoerd niet meeneemt in zijn draagkrachtberekening, hoefde het hof ook niet in te gaan op het verweer van de vrouw. In zoverre faalt de klacht bij gebrek aan feitelijke grondslag.
Onderdeel IXkeert zich tegen rov. 4.18 en 4.19 van de bestreden beschikking:
Ten eerste [98] wordt geklaagd dat het hof niet motiveert waarom het de essentiële stelling van de moeder (rnr. 44 van het verweerschrift op het incidenteel beroep) dat de vader in zijn berekeningen een slag slaat naar haar netto-inkomsten uit de opdrachten die in haar stukken zijn terug te vinden en dat zij deze betwist, onbesproken laat.
Ten tweede [99] voert het middel – kort gezegd – aan dat, nu beide partijen hun draagkrachtberekeningen hebben gebaseerd op de IB-aangiftes van de vrouw en tot andere uitkomsten komen, het onbegrijpelijk is waarom het hof zonder nadere toelichting de berekeningen van de vader volgt en de berekeningen van de moeder zonder motivering terzijde schuift.
Onderdeel IX, eerste klacht, faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 4.18 de stelling van de vrouw onder ogen gezien en (in rov. 4.19) verworpen. Voor zover het middel klaagt dat het hof de stelling verkeerd heeft begrepen, [100] maakt het middel onvoldoende duidelijk hoe de stelling moest worden opgevat en waarom deze stelling als essentieel kan worden aangemerkt. In zoverre faalt de klacht omdat zij niet voldoet aan de eisen van art. 426a Rv.
Onderdeel IX, tweede klachtfaalt eveneens. Zoals gezegd heeft de rechter een grote mate van vrijheid bij de draagkrachtbepaling. Aan het oordeel kunnen geen hoge motiveringseisen worden gesteld. Hoe ver de motiveringsplicht van de rechter reikt, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder het aan de beslissing ten grondslag liggende partijdebat. Het hof heeft de draagkrachtberekening van de vader gevolgd, omdat hij de aangiftes inkomstenbelasting van de moeder heeft gebruikt voor de draagkrachtberekening (rov. 4.19). In dat oordeel ligt besloten dat het hof de afwijkingen in de draagkrachtberekening van de moeder heeft verworpen.
Onderdeel Xkomt op tegen rov. 4.31 t/m 4.33 van de bestreden beschikking:
Onderdeel Xbevat
ten eerste [101] een voortbouwklacht. Er wordt betoogd dat met het slagen van één of meer van de voorgaande klachten ook de proceskostenveroordeling niet in stand kan blijven. Deze klacht faalt, nu mijns inziens de voorgaande klachten falen.
Ten tweede [102] wordt geklaagd dat het oordeel omtrent de proceskostenveroordeling onbegrijpelijk is in het licht van de zijdens de moeder bepaald niet omvangrijke processtukken, de stellingen van de moeder dat de vader volhardt in het onvoldoende inzicht geven in zijn financiële situatie en dat de vader nalaat om volledige financiële gegevens aan te leveren. Ook worden bezwaren geformuleerd tegen de door het hof gebruikte motivering.
Onderdeel XIbevat een aantal voortbouwklachten. Nu geen van de klachten waarop het voortbouwt mijns inziens slagen, slaagt ook onderdeel XI niet.