Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
4.Beslissing
21 februari 2014.
Hoge Raad
In deze zaak stond het verzoek van de vrouw centraal om eenhoofdig gezag toe te kennen over het kind, conform artikel 1:251a van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank ’s-Hertogenbosch had eerder een beschikking gegeven, gevolgd door een beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch die het verzoek afwees.
De vrouw stelde beroep in cassatie in tegen de beschikking van het hof. De man verzocht het beroep te verwerpen. De Advocaat-Generaal adviseerde eveneens tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten niet leiden tot cassatie, mede omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.
De Hoge Raad heeft het beroep van de vrouw verworpen en daarmee de beschikking van het hof bekrachtigd. De uitspraak werd gedaan door raadsheren Streefkerk, Snijders en Polak en in het openbaar uitgesproken door raadsheer de Groot op 21 februari 2014.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van het hof blijft in stand.