Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1betoogt dat het hof in rov. 3.7.4 van een onjuiste rechtsopvatting over art. 1:251a BW is uitgegaan, omdat het bij de toepassing van art. 1:251a BW niet gaat om de vraag in hoeverre de oorzaak van de klem en/of verloren-situatie is gelegen in het feit dat partijen gezamenlijk het gezag over de kinderen uitoefenen, maar om de vraag in hoeverre het belang van het kind, gegeven de klem en/of verloren-situatie met zich brengt dat tot beëindiging van het gezamenlijke gezag moet worden gekomen. Tevens klaagt het onderdeel dat het hof ten onrechte niet mede heeft getoetst aan het bepaalde in art. 1:251a, lid 1, aanhef en onder b BW, omdat het ook om andere redenen in het belang van het kind noodzakelijk kan zijn dat een van de ouders met eenhoofdig gezag wordt belast.