Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 2 juli 2013, nr. BK-12/00833, betreffende een op aangifte voldaan bedrag aan overdrachtsbelasting.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie behandeld dat was ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 2 juli 2013, betreffende een op aangifte voldaan bedrag aan overdrachtsbelasting.
De Hoge Raad heeft beoordeeld of het beroep in cassatie ontvankelijk was. Gezien de aangevoerde klacht en het belang van de partij die het cassatieberoep had ingesteld, oordeelde de Hoge Raad dat het beroep niet ontvankelijk was. Dit was omdat de partij klaarblijkelijk onvoldoende belang had bij het cassatieberoep of omdat de klacht klaarblijkelijk niet tot cassatie kon leiden.
Op basis van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal, heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard.
Het arrest is in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2014 door raadsheer C. Schaap als voorzitter, samen met raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in aanwezigheid van de waarnemend griffier F. Treuren.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang of omdat de klacht niet tot cassatie kan leiden.