Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
4 maart 2014.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem uit 2012. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf, met vermindering daarvan, en verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was. Ambtshalve stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden omdat meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
Als gevolg daarvan werd de opgelegde gevangenisstraf verminderd van vijftien jaar tot veertien jaar en negen maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen en de rest van het arrest bleef in stand.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van vijftien jaar tot veertien jaar en negen maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.