Uitspraak
1.De vordering van de Procureur-Generaal
2.Het onderzoek
3.De feiten waarvan de Hoge Raad uitgaat
(ii) De door [betrokkene] op persoonlijke titel als redacteur van het NJB geschreven rubriek 'Vooraf', getiteld "Punitive psychiatry – punitive taxation", in het NJB van 10 augustus 2012 houdt in:
4.Bepalingen
6.Beoordeling van de aan [betrokkene] verweten gedraging
,als gezaghebbend jurist publiekelijk zijn mening geeft over of naar aanleiding van feitelijke of juridische kwesties die in enige procedure een rol (kunnen) spelen, betekent in zijn algemeenheid niet dat redelijkerwijs moet worden getwijfeld aan een eerlijke en onpartijdige beoordeling door de onafhankelijke rechter die moet beslissen over de merites van de hem voorgelegde zaak waarin die kwesties aan de orde (kunnen) zijn. Daarbij geldt in het onderhavige geval dat het gaat om de gestelde invloed van diens mening op de uitkomst van een geschil in civiele procedures, waarbij moet worden beslist op basis van de stellingen en de feiten en omstandigheden die door beide partijen over en weer naar voren worden gebracht en waarover door partijen ten overstaan van de rechter wordt gedebatteerd. In zodanige procedure bestaat dus alle ruimte tegen de opvatting van [betrokkene] in te brengen wat de klagers dienstig voorkomen.
.De aard van de op persoonlijke titel geschreven discussiebijdrage die [betrokkene] in zijn hoedanigheid van redacteur van het NJB, een tijdschrift met een wetenschappelijk karakter, heeft gepubliceerd, brengt mee dat die bijdrage door het lezerspubliek onmiskenbaar als deelname aan het vrije juridisch-wetenschappelijke discours zal worden beschouwd, waarbij diens mening niet op enigerlei wijze geldt als die van het parket of van met rechtspraak belaste ambtenaren. Dat wordt niet anders als de nadruk zou worden gelegd op de door hem tevens beklede functie van advocaat-generaal, welke functie bovendien uit haar aard geen rechtsprekende is en welke functie bovendien ook bij de directe vervulling daarvan ruimte laat voor het laten doorklinken van persoonlijke opvattingen. Aan de gewraakte opinie komt geen verder reikende strekking toe dan als tot debat prikkelende uiting van [betrokkene], die onvoldoende verband houdt met de merites van een concreet geschil waarbij de klagers betrokken zijn of kunnen zijn. Dit persoonlijke en opiniërende karakter is voor het publiek, ook voor de rechters die mogelijk in de bedoelde procedures zouden moeten oordelen, onmiddellijk herkenbaar. Op grond van een en ander wordt aan het gezag van of het vertrouwen in de rechtspraak geen afbreuk gedaan.
7.Beslissing
7 maart 2014.