Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
14 januari 2014.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Namens verdachte stelde de advocaat middelen van cassatie voor. De Advocaat-Generaal concludeerde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase was overschreden.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was omdat de rechtsvragen niet in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling hoefden te worden beantwoord. Vervolgens stelde de Hoge Raad ambtshalve vast dat meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, wat een overschrijding van de redelijke termijn betekent.
Gezien de aard van de opgelegde terbeschikkingstelling was vermindering van de straf niet mogelijk. Daarom volstond de Hoge Raad met de constatering van de termijnoverschrijding en wees het beroep af. Het arrest werd uitgesproken door drie raadsheren in aanwezigheid van de waarnemend griffier.
Uitkomst: De Hoge Raad constateert overschrijding van de redelijke termijn in cassatie en verwerpt het beroep zonder strafvermindering.