Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
18 maart 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarin de verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk in bezit hebben van beschermde zeehonden.
De verdediging stelde dat de ontdekking van de zeehonden het gevolg was van een onrechtmatige doorzoeking, omdat de opsporingsambtenaren zonder toestemming de deur van een koelcel hadden geopend, wat volgens artikel 20 van Pro de Wet op de economische delicten niet was toegestaan. Het hof verwierp dit verweer en oordeelde dat het openen van de niet afgesloten roldeur van een koelruimte binnen het toegestane binnentreden viel.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwees naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat de bevoegdheid tot binnentreden ook het verschaffen van doorgang binnen het perceel omvat. De omvang van de koelruimte en de omstandigheden maakten het openen van de deur geen onrechtmatige doorzoeking. Het bewijs verkregen door het binnentreden kon daarom worden gebruikt.
Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het openen van de koelceldeur geen onrechtmatige doorzoeking was.