Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
18 maart 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 31 januari 2012, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd toegewezen.
Namens verdachte zijn middelen van cassatie ingediend door advocaten te 's-Gravenhage. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep, waarop de raadsman van verdachte schriftelijk heeft gereageerd.
De Hoge Raad oordeelt dat de ingebrachte middelen niet tot cassatie kunnen leiden en dat geen nadere motivering vereist is omdat de middelen niet leiden tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Daarom wordt het beroep verworpen en blijft het arrest van het gerechtshof ongewijzigd van kracht.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof blijft van kracht.