Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
18 maart 2014.
Hoge Raad
Betrokkene stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem van 20 april 2012 betreffende een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het cassatieberoep werd namens betrokkene ingediend door mr. R.J. Baumgardt.
De Advocaat-Generaal N. Jörg adviseerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat gezien artikel 81, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie geen nadere motivering nodig was omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Daarop verwerpt de Hoge Raad het beroep in cassatie en bevestigt het arrest van het Gerechtshof Arnhem. Het arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het Gerechtshof Arnhem bevestigd.