Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 13 juni 2013, nr. 11/00549, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
Hoge Raad
Belanghebbende had een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule afgesloten met een ingangsdatum van 1 januari 2000 en einddatum 31 december 2005. De verzekering was een voortzetting van een eerdere polis uit 1985. In 2006 werd aan de Belastingdienst gemeld dat een bedrag van €6758 was uitgekeerd, maar daadwerkelijke uitbetaling vond pas in 2012 plaats doordat de lijfrenteclausule niet ten uitvoer was gelegd.
De Inspecteur had het bedrag van €6758 bij het belastbare inkomen over 2006 betrokken, ondanks dat de uitbetaling later plaatsvond. De Rechtbank had de aanslag verminderd, maar het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende ontvankelijk en handhaafde de aanslag zoals verminderd door de Inspecteur.
Het geschil betrof de vraag of de waarde van de polis op de expiratiedatum tot het belastbare inkomen van 2006 behoort. Het Hof oordeelde dat heffing plaatsvindt in het jaar waarin de redelijke termijn voor tenuitvoerlegging van de lijfrenteclausule is verstreken, ongeacht of de uitbetaling daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van belanghebbende en bevestigde dat het oordeel van het Hof over de redelijke termijn niet onjuist of onbegrijpelijk is. De Hoge Raad wees het beroep in cassatie af en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de waarde van de kapitaalverzekering belast is in het jaar waarin de redelijke termijn voor tenuitvoerlegging is verstreken.