Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag betreffende een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2007. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en een betalingstermijn van vier weken gesteld. Het griffierecht is echter niet voldaan.
Vervolgens heeft de griffier belanghebbende opnieuw bij aangetekende brief in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na dagtekening van deze brief aan te geven waarom het griffierecht niet tijdig was betaald. Deze termijn is verstreken zonder reactie van belanghebbende. Een brief die na deze termijn werd ingediend, is buiten beschouwing gelaten.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb is het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad acht geen gronden aanwezig voor een veroordeling in proceskosten. Het arrest is op 28 maart 2014 in het openbaar uitgesproken door de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra en Th. Groeneveld.