In deze zaak vorderen curatoren de persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders van een vennootschap wegens het onbetaald laten van een schuld aan Air Holland, ondanks de overdracht van activa aan een zustermaatschappij. De rechtbank wees de vordering jegens bestuurders af, maar het hof veroordeelde hen tot betaling, omdat zij ernstig verwijtbaar onzorgvuldig hadden gehandeld.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof en verwijst naar zijn eerdere arrest van 8 december 2006, waarin is bepaald dat het voldoende is dat een bestuurder ten tijde van het handelen of nalaten ernstig rekening had moeten houden met de mogelijkheid dat een vordering op de vennootschap zou resteren. De bestuurders hadden immers geweten dat de vennootschap nog een betalingsverplichting had en dat zij desondanks de overdracht van activa toestonden zonder voorzieningen te treffen.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurders. Tevens worden zij veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.