Uitspraak
1.Geding in cassatie
Nederlands Forensisch Instituut.
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
8 april 2014.
Hoge Raad
De verdachte werd ten laste gelegd dat hij op 28 april 2010 te Wijdewormer als drijver van een inrichting niet had voldaan aan voorschriften van het Besluit landbouw milieubeheer, met name het ontbreken van geïntegreerde lekbakken bij vier kunststof bovengrondse opslagtanks (IBC's) gevuld met gasolie, het niet duidelijk aanbrengen van een rookverbod in een loods met brandbare vloeistoffen en het niet ordelijk houden van de inrichting.
Het hof Amsterdam verklaarde de verdachte schuldig op basis van diverse bewijsmiddelen, waaronder proces-verbalen van bevindingen, een meldingsformulier, NFI-rapporten en verklaringen van de verdachte. Het hof verwierp het verweer dat de verdachte niet wist van de aanwezigheid van de IBC-tanks en de olie.
De Hoge Raad oordeelt dat het enkele feit dat de verdachte als drijver zorg moet dragen voor naleving van voorschriften niet voldoende is om het opzet te bewijzen dat hij wist van de aanwezigheid van de IBC-tanks en de olie. Ook de bewijsmiddelen leiden niet tot het oordeel dat het opzet gericht was op het niet naleven van de voorschriften. Daarom is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het hof Amsterdam voor hernieuwde berechting op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof Amsterdam voor hernieuwde berechting.