Conclusie
gevonden).
doorvoerin de zin van artikel 5 Bsg Pro kan worden aangemerkt. De verdachte kan immers niet als normadressant van de strafbepaling worden aangemerkt omdat de verdachte niet beschikkingsbevoegd was in de zin van toepasselijke regelgeving.
doorvoerdoor Nederland gedefinieerd als
het vervoer van goederen die uitsluitend het Nederlands grondgebied worden binnengebracht om via dat gebied te worden vervoerd naar een bestemming buiten het Nederlands grondgebied.
Airwaybillen de
HouseAirwaybill, volgt immers dat deze goederen vanuit Johannesburg in Zuid-Afrika via Amsterdam naar Quito zouden worden gebracht. Ook op de
Forward Freight Message(FFM), behorende bij de vlucht van Johannesburg naar Amsterdam, staat dat de eindbestemming van de goederen Quito (UIO) betrof. Hiermee staat vast dat de verdachte ervan op de hoogte was dat deze goederen via Nederland naar een andere eindbestemming buiten Nederland werden vervoerd. Dat een andere partij dan de verdachte deze route voor de goederen van tevoren heeft bepaald, of dat de eindbestemming nog had kunnen worden gewijzigd, maakt dit niet anders.
‘militaire goederen'zou hebben ‘
doorgevoerd’ of ‘
laten vervoeren’,
‘zonder vergunning’. Uit niets blijkt dat de verdachte voorafgaand en bij vertrek van het vliegtuig met de goederen zich ervan bewust is geweest militaire goederen te vervoeren, laat staan door te voeren in de zin van het Bsg. De verdachte kon en mocht erop vertrouwen dat [B] voor vertrek haar verplichtingen nakwam uit hoofde van de vervoersovereenkomst. Bij gebreke van bewijs van berispelijke wetenschap omtrent de militaire aard van de goederen ontbreekt eveneens het bewijs van het aanvaarden van een risico ter zake.
in casuhet doorvoeren zonder vergunning. De verdachte heeft deze gedraging opzettelijk gepleegd. Het opzet dat in dat geval bewezen moet worden is niet volledig kleurloos. Het dossier bevat bewijs voor opzet, nu de verdachte het had kunnen en moeten weten dat het hier om militaire goederen ging, gelet op de stukken die door [B] aan de verdachte waren aangeleverd.
doorvoerdoor Nederland van de goederen, is bewezen dat de verdachte opzet had op het vervoeren van deze goederen van Johannesburg naar Amsterdam en van Amsterdam naar Quito. De verdachte heeft zich er contractueel toe verplicht om de goederen via deze route te vervoeren en dit transport vervolgens ook uitgevoerd. Mede gelet op de definitie van ‘doorvoer door Nederland’ als opgenomen in artikel 1 Bsg Pro, staat daarmee vast dat de verdachte opzet had op de doorvoer van deze goederen.
House Airwaybill,heeft de verdachte geweten dat het transport “Aircraft parts” betrof en dat deze bestemd waren voor het “Ministerio de Defensa Nacional” te Equador. Gelet op deze gegevens had de verdachte ervan moeten uitgaan dat de goederen een
militaire aardhadden. Ter zake kon zij zich niet verlaten op [B] . Daarmee is haar wetenschap van het militaire karakter van de goederen bewezen.
vergunningwas verleend. In de wetenschap dat de goederen (hoogstwaarschijnlijk) een militair karakter hadden, had het op de weg van de verdachte gelegen om na te gaan of een vergunning was verleend, en zo niet, zelf zorg te dragen voor het aanvragen van een vergunning. Nu zij dat niet heeft gedaan, is haar wetenschap dat geen vergunning was verstrekt, bewezen.
III. Geen sprake van een voltooid delict
Artikel 1
algemene doorvoervergunning:een bij ministeriële regeling verleende toestemming aan in Nederland gevestigde beschikkingsbevoegden voor de doorvoer van militaire goederen door Nederland; (…)
beschikkingsbevoegde:een natuurlijke persoon of rechtspersoon die bevoegd is over militaire goederen te beschikken; (…)
doorvoer door Nederland:het vervoer van militaire goederen die uitsluitend het Nederlands grondgebied worden binnengebracht om via dat gebied te worden vervoerd naar een bestemming buiten het Nederlands grondgebied; (…)
individuele doorvoervergunning:een op aanvraag aan een in Nederland gevestigde beschikkingsbevoegde verleende vergunning voor de doorvoer van militaire goederen door Nederland; (…)
lidstaat: een lidstaat van de Europese Unie, Noorwegen, IJsland en Liechtenstein;
militaire goederen:de militaire goederen, bedoeld in een door Onze Minister na overleg met Onze Minister wie het mede aangaat vast te stellen ministeriële regeling’
Artikel 5
Artikel 10
Artikel 1
besluit:het Besluit strategische goederen; (…)
gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen:de lijst van goederen waarop het Gemeenschappelijk standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie (PbEU 2008, L 335) van toepassing is; (…)
vergunning:een doorvoervergunning, een individuele of globale uitvoervergunning of een individuele of globale overdrachtsvergunning’
ML 10
NJ1952/314 m.nt. Röling, onder meer inhoudend:
NJ2007/544 m.nt. Buruma. Uw Raad overwoog:
NJ2012/31 lijkt Uw Raad de opzeteis in laatstgemelde zin te hebben uitgelegd. Het hof had bewezenverklaard dat de verdachte, een rechtspersoon, opzettelijk een handeling had verricht als bedoeld in art. 26, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 259/93, ‘immers was zij doende 13 containers waarvan de inhoud bestond uit electromotoren scrap bestaande uit een mengsel van afvallen’ over te brengen van Nederland naar China zonder de vereiste kennisgeving. In cassatie werd onder meer geklaagd over de verwerping van het verweer (middel 1) dat de electromotoren scrap geen mengsel van afvallen opleverde en (middel 2) dat uit de bewijsmiddelen niet kon worden afgeleid ‘dat de verdachte opzet had op het overbrengen van een mengsel van afvallen’. A-G Machielse was van oordeel dat beide middelen faalden. Hij attendeerde erop ‘dat verdachte ervan op de hoogte was dat de containers materiaal met de aanduiding GC 010 bevatten’ (randnummer 5.6). De aanduiding GC 010 zag op ‘uitsluitend uit metalen of legeringen bestaand elektrisch montageafval’. Machielse zal zijn standpunt hebben gebaseerd op bewijsmiddel b., dat als verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte onder meer inhield: ‘Op 16 januari 2006 is in Rotterdam in containers een partij electromotoren scrap aangetroffen, die in onze opdracht werd getransporteerd naar China.’ Uw Raad casseerde evenwel naar aanleiding van het tweede middel. Uit de bewijsmiddelen kon niet zonder meer worden afgeleid ‘dat het opzet van de verdachte – al dan niet in voorwaardelijke vorm – was gericht op de overbrenging van een “mengsel van afvallen”, zoals is bewezenverklaard’. Voor Machielse lijkt centraal te hebben gestaan dat de verdachte wist waar de partij - mede – uit bestond, voor Uw Raad lijkt de doorslag te hebben gegeven dat niet bleek dat de verdachte welbewust de kans had aanvaard dat de partij elektromotoren scrap een ‘mengsel van afvallen’ was. [10]
eerstemiddel klaagt, in de kern, dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de verdachte opzet had op de aard van de goederen, althans dat de motivering van de bewezenverklaring op dit onderdeel onbegrijpelijk dan wel ontoereikend is.
House Airwaybill, heeft geweten dat het transport ‘
Aircraft parts’ betrof en dat deze bestemd waren voor het ‘
Ministerio de Defensa Nacional’ te Ecuador. De verdachte had er volgens het hof gelet op deze gegevens van ‘moeten uitgaan’ dat de goederen een militaire aard hadden. Uit deze overweging volgt niet dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte er daadwerkelijk van uit
isgegaan dat de goederen een militaire aard hadden.
House Airwaybillin het bezit van verdachte was gelet op de gebezigde bewijsmiddelen en mede in het licht van hetgeen namens verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht, zonder nadere toelichting naar het mij voorkomt niet het oordeel kan dragen dat de verdachte wist dat het om ‘
Aircraft parts’ ging. [15] In de verklaring van [betrokkene 2] (bewijsmiddel 3) staat dat bij [verdachte] afdeling afhandeling een melding binnenkwam waarin een aantal gegevens stonden, waaronder bij de omschrijving van goederen ‘
consolidation’. Bij die FFM melding zat ‘de electronische versie van de Airwaybill en de House Airwaybill’. [betrokkene 2] verklaart: ‘Nadat de zending gestopt was hebben wij de House Airwaybill bekeken’. Blijkens de pleitnota is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat uit niets blijkt ‘dat [verdachte] voorafgaand en bij vertrek ervan bewust was
onderdelen, speciaal ontworpen of aangepast voor militair gebruik, te vervoeren, laat staan
door te voerenin de zin van het Bsg’. [16] Als het hof ervan uitgaat dat de
House Airwaybillinderdaad pas door werknemers van de verdachte is bekeken nadat de zending is gestopt, en het gebruik van de verklaring van [betrokkene 2] voor het bewijs duidt daarop, behoeft het toelichting waarom desondanks bewezen wordt geacht dat verdachte wist dat deze goederen werden doorgevoerd. Ik merk daarbij op dat het hof de bewezenverklaring van opzet niet heeft gebaseerd op vaststellingen inzake de bedrijfspolitiek van de verdachte, besluitvorming of feitelijk bevorderd handelen. Ik neem voorts in aanmerking dat van opzettelijk doorvoeren van militaire goederen, gelet op de omschrijving in art. 1 Bsg Pro, geen sprake kan zijn als de wetenschap van de aard van de goederen eerst ontstaat nadat de goederen Nederland binnen zijn gebracht.
Commercial Invoicevan [A] , en dat de verdachte daar (ik begrijp: ten tijde van het doorvoeren) niet over beschikte.
Commercial Invoicevan [A] is door vermelding in het proces-verbaal (bewijsmiddel 1) onder de bewijsmiddelen opgenomen. Uit de bewijsmiddelen kan niet precies worden afgeleid op welke wijze en op welk tijdstip de verdachte de beschikking over dit geschrift heeft gekregen. In het tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] is gerelateerd dat zij op 8 april 2016, nadat zij de betreffende zending gecontroleerd hadden, ‘naar de afdeling Documentatie van de [verdachte] (zijn) gegaan om de begeleidende bescheiden op te halen en te kopiëren ten behoeve van dossiervorming’. In dat kader lezen zij ook de
Commercial Invoice(bewijsmiddel 2). In de verklaring van [betrokkene 2] wordt geen melding gemaakt van de
Commercial Invoice(bewijsmiddel 3). Al met al kon het hof uit de bewijsmiddelen afleiden dat de verdachte op 8 april 2016 de beschikking had over de
Commercial Invoice. In zoverre het middel anders betoogt mist de klacht feitelijke grondslag. Uit de bewijsmiddelen en bewijsmotivering van het hof kan echter niet zonder meer volgen dat de verdachte ten tijde van het doorvoeren wetenschap had van (de inhoud van) de
Commercial Invoiceen (dus) van de exacte samenstelling van de lading. In dat opzicht schiet de motivering van het hof naar het mij voorkomt tekort.
contracting State undertakes to collaborate in securing the highest practicable degree of uniformity in regulations, standards, procedures, and organization in relation to aircraft, personnel, airways and auxiliary services in all matters in which such uniformity will facilitate and improve air navigation’. Met dat doel zal de
International Civil Aviation Organization(ICAO) ‘
adopt and amend from time to time, as may be necessary, international standards and recommended practices and procedures’ op een aantal nader omschreven terreinen. Ingevolge art. 54 onder Pro l van het Verdrag heeft de Raad tot taak om
‘international standards and recommended practices’ aan te nemen en
‘for convenience, designate them as Annexes to this Convention’. Art. 90 van Pro het Verdrag geeft nadere regels omtrent het aannemen van deze bijlagen, het aanpassen ervan en het in werking treden van bijlagen en aanpassingen daarvan. [22]
documentary requirement’. Uit de formulering van Standaard 4.15 van Bijlage 9 bij het Verdrag van Chicago volgt evenwel dat het hier niet gaat om een regel waar geen uitzonderingen op zijn toegestaan. Een uitzondering is mogelijk bij ‘
specific legal responsibilities’.
specific legal responsibilities’ die een uitzondering op de hoofdregel van Standaard 4.15 van Bijlage 9 rechtvaardigen. Ter onderbouwing van dat standpunt wordt onder meer verwezen naar de opinie van prof. dr. P.M.J. Mendes de Leon die door de raadsman is overgelegd aan het hof.
unless’) in 2010 op voorstel van de
European Civil Aviation Conference(ECAC) is toegevoegd. [24] Bij navraag, zo meldt Mendes de Leon, ‘bleek dat ECAC dit heeft gedaan op voorstel van Nederland’ (nr. 4.2.6). Een letterlijke interpretatie van deze toevoeging zou, zo begrijp ik Mendes de Leon, kunnen rechtvaardigen dat de verantwoordelijkheid van de luchtvaartmaatschappij onder art. 3 Usg Pro tot de ‘
specific legal responsibilities’ wordt gerekend (nr. 4.2.5). [25] Daar zouden evenwel een aantal argumenten tegen pleiten. Het eerste argument is dat de uitzondering de hoofdregel uitholt. Dat is evenwel de kern van elke uitzondering. Het tweede is dat een lidstaat van ICAO niet meer gehouden zou zijn ICAO over het niet nakomen van haar internationale verplichtingen te informeren nu een nationale regeling afwijking van een internationale hoofdregel rechtvaardigt. Daar kan tegenin worden gebracht dat het internationale recht (Standaard 4.15) die afwijking zelf rechtvaardigt. Het derde argument is dat letterlijke interpretatie haaks zou staan op de verdeling van verantwoordelijkheden tussen afzender en vervoerder zoals neergelegd in het Verdrag van Montreal. Dat bezwaar overtuigt evenmin; de verdeling van verantwoordelijkheden tussen afzender en vervoerder in het Verdrag van Montreal (zie hierna) wordt niet geraakt door een bepaling die op de vervoerder verplichtingen legt jegens de overheid. Het laatste argument dat Mendes de Leon aanvoert is het antwoord dat mw. Silvia Pratti,
Air Transport Officervan ECAC, heeft gegeven op zijn vraag op welke ‘
legal responsibilities’ Standaard 4.15 doelt. Mw. Pratti meent dat wordt gedoeld op ‘
legal responsibilities’uit ‘
international law’. Deze e-mail kan naar het mij voorkomt evenwel niet als een gezaghebbende interpretatie worden aangemerkt.
aircraft operatorworden gelegd die een uitzondering vormen op de hoofdregel die in deze standaard is neergelegd. Dat moet naar het mij voorkomt bij de interpretatie de doorslag geven.
specific legal responsibilities’ ten aanzien van de naleving van ‘
documentary requirements’ had omdat de verdachte in deze niet beschikkingsbevoegd was en zij ook niet (namens de beschikkingsbevoegde) de douaneformaliteiten verrichtte.
documentary requirements’ staat die met de doorvoer verband houden. Ik wijs er daarbij nog op dat de ‘
specific legal responsibilities’ blijkens de formulering van Standaard 4.15 niet (enkel) betrekking behoeven te hebben op ‘
documentary requirements’. De verantwoordelijkheid van de vervoerder betreft (het voorkomen van) doorvoer zonder vergunning.
carriermag niet meer gevraagd worden dan het doen van een summiere aangifte, want dat zou anders feitelijk neerkomen op een verbod tot vervoer van militaire goederen in plaats van doorvoer;
Master Airwaybillen de omschrijving in de FFM voldoende informatie had gekregen, gewezen op art. 16 van Pro het Verdrag van Montreal en art. 8:1370, vierde lid, BW. Het genoemde verdragsartikel luidt in de Nederlandse vertaling als volgt: [27]
Artikel 1370, vierde lid
.Uit de bepaling volgt dat de afzender jegens de vervoerder aansprakelijk is, bij – samengevat - gebreken in en ontbreken van documenten die de afzender had moeten verzorgen. Het tweede lid bouwt daar op voort. Bij beslissingen over aansprakelijkheid op grond van het eerste lid kan (door de afzender) niet aan de vervoerder worden tegengeworpen dat hij zelf beter onderzoek had moeten verrichten naar documenten die de verzender had moeten verschaffen. Daarmee is het artikel niet van belang bij het bepalen van de zorgvuldigheid die de verdachte in het onderhavige geval jegens de overheid in acht had te nemen. [35]