Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Beoordeling van het derde middel
4.Beoordeling van het eerste middel
5.Slotsom
6.Beslissing
15 april 2014.
Hoge Raad
De zaak betrof een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarin verdachte was veroordeeld voor het vervoeren en afleveren van hennepstekken. Het centrale geschilpunt was of het proces-verbaal van identiteit en stemherkenning, dat was opgesteld na verhoren waarbij de Salduz-norm was geschonden, als bewijs mocht worden gebruikt.
De verdediging stelde dat vanwege het vormverzuim in het voorbereidende onderzoek ook het proces-verbaal van stemherkenning niet als bewijs mocht dienen. Het hof oordeelde echter dat de stemherkenning gebaseerd was op het stemgeluid van verdachte tijdens de verhoren, maar dat dit niet de inhoud van de verklaringen betrof en dus niet rechtstreeks voortkwam uit de onrechtmatige verhoren. Daarom wees het hof het verweer af.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had gegeven door het bewijs niet uit te sluiten. Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden, waardoor de opgelegde taakstraf werd verminderd van 150 naar 142 uren, met een evenredige vermindering van de vervangende hechtenis.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafmaat en bevestigde het verder. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren op 15 april 2014.
Uitkomst: De taakstraf werd verminderd van 150 naar 142 uren wegens overschrijding van de redelijke termijn, bewijs van stemherkenning bleef toegelaten.