Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 1 augustus 2013, waarin het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Haarlem werd behandeld. De zaak betrof een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2005, alsmede een opgelegde boete.
De Hoge Raad ontving het verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën, een conclusie van repliek van belanghebbende en een conclusie van dupliek van de Staatssecretaris. Na beoordeling van de ingediende middelen oordeelde de Hoge Raad dat deze middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was, aangezien geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.
Ten aanzien van de proceskosten oordeelde de Hoge Raad dat er geen gronden waren voor een veroordeling in de proceskosten. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en sprak dit arrest uit in het openbaar op 18 april 2014, onder leiding van vice-president M.W.C. Feteris, met raadsheren P.M.F. van Loon en J. Wortel.