Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Slotsom
4.Beslissing
22 april 2014.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin verdachte was veroordeeld voor seksueel misbruik van minderjarigen. Het hof had het bevel tot medebrenging van de verdachte achterwege gelaten omdat de persoonlijke verschijning van verdachte "noch noodzakelijk noch gewenst" zou zijn, gelet op bijzondere omstandigheden zoals de lange duur van de procedure, het herhaaldelijk niet verschijnen van verdachte en het belang van het slachtoffer om duidelijkheid.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet het juiste criterium had toegepast bij het achterwege laten van het bevel tot medebrenging en dat de motivering ontoereikend was. De verdachte was verplicht om persoonlijk te verschijnen volgens artikel 495a Sv, en het achterwege laten van het bevel kan slechts indien aan strikte voorwaarden wordt voldaan.
De procedure kende een lange aanloop met meerdere zittingen waarbij de verdachte niet steeds aanwezig was, en de raadsman zich verzette tegen behandeling buiten aanwezigheid van verdachte. Het hof had het onderzoek buiten aanwezigheid van verdachte voortgezet, maar zonder voldoende motivering volgens de Hoge Raad.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe berechting en beslissing, waarbij het juiste criterium voor het bevel tot medebrenging moet worden toegepast en gemotiveerd.
Uitkomst: Het arrest van het hof is vernietigd en de zaak is terugverwezen voor hernieuwde behandeling wegens ontoereikende motivering van het achterwege laten van het bevel tot medebrenging.