Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
22 april 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarin hij werd veroordeeld voor mishandeling van zijn ex-echtgenote. Het hof had bewezen verklaard dat verdachte in januari 2009 tijdens de zwangerschap van het slachtoffer haar tegen de buik had gestompt, wat pijn veroorzaakte.
De verdediging voerde aan dat de verklaringen onvoldoende betrouwbaar waren, met name vanwege een discrepantie in het tijdstip van het incident. De aangeefster verklaarde dat het incident in januari 2009 plaatsvond toen zij enkele weken zwanger was, terwijl een getuige verklaarde dat zij toen al vier tot vijf maanden zwanger was. Het hof oordeelde echter dat deze tijdsverschillen niet de geloofwaardigheid van de verklaringen aantasten.
De Hoge Raad bevestigt dat het bewijs niet uitsluitend op één getuige mag steunen zonder voldoende steunbewijs, maar oordeelt dat in deze zaak de verklaringen van het slachtoffer en de getuige elkaar voldoende ondersteunen. Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het hofarrest in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest blijft in stand.