De rechtbank verklaarde verzoeker in staat van faillissement en wees een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling af omdat dit niet tijdig was ingediend. Verzoeker kwam hiertegen in hoger beroep. Het hof schorste de behandeling van het hoger beroep totdat definitief zou zijn beslist over het verzoek tot schuldsanering. Vervolgens verklaarde de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk in dat verzoek, waarna het hof dit oordeel bekrachtigde.
Verzoeker stelde cassatieberoep in tegen de arresten van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat het beroep tegen het tussenarrest van 19 februari 2013 niet-ontvankelijk was omdat het hof niet had bepaald dat daartegen tussentijds beroep kon worden ingesteld. Het beroep tegen het eindarrest van 26 maart 2013 werd verworpen.
De Hoge Raad benadrukte dat de hogere rechter in hoger beroep de gehele zaak moet behandelen en zich niet mag onttrekken aan zijn taak door delen van de beslissing aan de lagere rechter over te laten, tenzij uitzonderingen zoals onbevoegdheid of ontbreken van rechtsmacht zich voordoen. In deze zaak was geen sprake van een dergelijke uitzondering, zodat het hof terecht de zaak aan zich hield.
De overige klachten van verzoeker werden niet-ontvankelijk verklaard of verworpen, zonder nadere motivering, omdat zij geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en vier raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer.