Belanghebbende, eigenaar van een kantoorpand met een verhuurbare oppervlakte van 9641 m² en 148 parkeerplaatsen, kocht het pand in mei 2010 voor €18.600.000. De onroerende zaak was verhuurd aan de Staat der Nederlanden met een huurcontract dat liep tot 1 juli 2010 en was verlengd met een huurvrije periode van negen maanden. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2010 vast op €18.410.000.
Het hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en volgde partijen niet in hun standpunt dat rekening gehouden moest worden met de verhuurde staat van het pand. Het hof vond dat de verkoopprijs dicht bij de waardepeildatum als WOZ-waarde kon gelden, ook al was het pand verhuurd.
De Hoge Raad stelt dat het hof een onjuiste rechtsopvatting hanteerde door de invloed van het huurcontract mee te nemen in de waardebepaling. Artikel 17, lid 2, Wet WOZ bevat ficties die veronderstellen dat het pand vrij opleverbaar is, ongeacht lopende huurcontracten. Daarom kan de WOZ-waarde niet worden gebaseerd op verkoopprijzen beïnvloed door verhuur.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling. Tevens veroordeelt de Hoge Raad het college van burgemeester en wethouders van Zwolle in de kosten van het cassatieberoep.