ECLI:NL:HR:2014:984

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 april 2014
Publicatiedatum
24 april 2014
Zaaknummer
10/02689
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 5 Wet BPMArt. 4 AWRArt. 43 EGArt. 49 VWEU
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid BPM-heffing op in België geregistreerde auto gebruikt in Nederland

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het Gerechtshof Leeuwarden inzake de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) op een auto die in België is geregistreerd maar in Nederland wordt gebruikt door een persoon met woonplaatsen in beide landen.

De Hoge Raad vroeg het Hof van Justitie van de Europese Unie om prejudiciële uitleg over de toepassing van artikel 43 EG Pro (thans artikel 49 VWEU Pro) in deze context. Het Hof van Justitie oordeelde dat een lidstaat een belasting mag heffen op het gebruik van een in een andere lidstaat geregistreerde auto, ook als deze auto al in die andere lidstaat is belast, mits de belasting niet discriminerend is en de auto daadwerkelijk en duurzaam in beide lidstaten wordt gebruikt.

De Hoge Raad heeft vervolgens het cassatieberoep ongegrond verklaard, bevestigend dat de BPM-heffing in Nederland rechtmatig is en dat er geen rekening hoeft te worden gehouden met de registratiebelasting betaald in België. Tevens zijn geen proceskosten aan de Staat opgelegd.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de rechtmatigheid van de BPM-heffing op de in België geregistreerde auto gebruikt in Nederland.

Uitspraak

25 april 2014
nr. 10/02689bis
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Leeuwardenvan 7 mei 2010, nr. 09/00105, na beantwoording van de door de Hoge Raad bij een arrest aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vragen.

1.Ontstaan en loop van het geding

Voor een overzicht van het ontstaan en loop van het geding tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 6 april 2012, nr. 10/02689, ECLI:NL:HR:2012:BQ2085, BNB 2012/180, wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vragen.
Bij arrest van 21 november 2013, X, C-302/12, BNB 2014/36, heeft het Hof van Justitie uitspraak doende op die vragen, voor recht verklaard:
Artikel 43 EG Pro moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat waarbij met betrekking tot een in een andere lidstaat geregistreerde auto die ter zake van die registratie aldaar reeds aan belasting onderworpen is geweest, een belasting wordt geheven ter zake van de aanvang van het gebruik op het nationale wegennet van eerstgenoemde lidstaat, wanneer deze auto bestemd is om hoofdzakelijk in beide lidstaten daadwerkelijk en duurzaam te worden gebruikt, of daar feitelijk aldus wordt gebruikt, voor zover deze belasting niet discriminerend is.”
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het arrest van het Hof van Justitie. De Staatssecretaris van Financiën heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

2.Nadere beoordeling van de middelen

2.1.
Uit de hiervoor in onderdeel 1 weergegeven verklaring voor recht van het Hof van Justitie volgt dat ook indien belanghebbende in meer dan één lidstaat een woonplaats in de zin van artikel 4 AWR Pro zou hebben, artikel 43 EG Pro (thans: artikel 49 VWEU Pro) zich in de onderhavige omstandigheden niet verzet tegen het aan belanghebbende opleggen van een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen, en dat - anders dan het tweede middel betoogt – het recht van de Unie in dat geval niet ertoe noopt bij de berekening van de hoogte van die aanslag op enigerlei wijze rekening te houden met de voor de auto in een andere lidstaat reeds betaalde registratiebelasting. Het tweede middel faalt derhalve.
2.2.
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.1 is overwogen, kan het eerste middel niet tot cassatie leiden.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, E.N. Punt, R.J. Koopman en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2014.