Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 22 oktober 2014, nr. BK‑14/00021, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van het Hof van 16 april 2014.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende meerdere malen schriftelijk gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en een termijn gesteld voor betaling. Ondanks deze aanmaningen is het griffierecht niet voldaan.
Belanghebbende heeft ook niet tijdig gereageerd op de uitnodiging om een verklaring te geven voor het niet betalen van het griffierecht. Een faxbrief die na de gestelde termijn werd ingediend, is buiten beschouwing gelaten. Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk verklaard.
De Hoge Raad acht geen gronden aanwezig om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het arrest is uitgesproken door de raadsheren Schaap, Fierstra en Groeneveld op 17 april 2015.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.