Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Noord-Hollandvan 24 oktober 2014, nr. HAA 14/2065 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 24 juli 2014.
Hoge Raad
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van belanghebbende tegen eerdere uitspraken van de Rechtbank Noord-Holland behandeld. Het cassatieberoep betrof een verzetprocedure tegen een uitspraak van 24 juli 2014, waarop op 24 oktober 2014 een uitspraak volgde.
De Hoge Raad heeft beoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest is op 17 april 2015 in het openbaar uitgesproken door de raadsheren Schaap, Fierstra en Groeneveld.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.