Belanghebbende had in 2008 een aangifte inkomstenbelasting gedaan met een belastbaar inkomen van €33.225, terwijl hij daadwerkelijk meer inkomen had door opbrengsten uit een hennepkwekerij. De politie trof in januari 2009 in een door belanghebbende gehuurd pand een hennepkwekerij aan. De politierechter stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €5.338, terwijl een boekenonderzoek een opbrengst van €46.987 concludeerde.
De navorderingsaanslag werd berekend op basis van een belastbaar inkomen van €80.121. De rechtbank had de aanslag verminderd tot een correctie van €16.975. Het hof oordeelde dat de bewijslast niet omgekeerd en verzwaard hoefde te worden omdat de vermeende opbrengst van €5.000 relatief gezien niet aanzienlijk was ten opzichte van de looninkomsten.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het bedrag aan niet geheven belasting niet aanzienlijk was. De belasting die op basis van het werkelijke inkomen verschuldigd was, was €2.101 hoger dan op basis van de aangifte, wat zowel relatief (19%) als absoluut aanzienlijk is. Daarom is de vereiste aangifte niet gedaan en moet het hof opnieuw oordelen. De zaak wordt vernietigd en verwezen naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.