Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.De conclusie van de Advocaat-Generaal
4.Beoordeling van de aanvraag
5.Beslissing
21 april 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een arrest van het Gerechtshof te Arnhem waarin de aanvrager is veroordeeld voor medeplegen van moord tot een gevangenisstraf van twaalf jaar en zes maanden. De aanvraag tot herziening betrof de stelling dat een brief van een Bulgaarse Officier van Justitie, die door het hof als doorslaggevend bewijs was gebruikt, valselijk zou zijn opgemaakt.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat de aanvraag zal worden afgewezen. Na nadere toetsing blijkt uit een brief van de Bulgaarse Hoofdofficier van Justitie dat de stelling van valsheid onjuist is, waardoor de aanvraag feitelijk geen grondslag heeft.
De Hoge Raad heeft daarom de aanvraag tot herziening afgewezen op grond van artikel 470 Sv Pro. De uitspraak is gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 21 april 2015, waarbij de vice-president als voorzitter en twee raadsheren hebben deelgenomen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af wegens gebrek aan feitelijke grondslag.