Uitspraak
Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 1 juli 2014, nr. 13/00341, betreffende de ten aanzien van
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) genomen beschikking inzake de omzetbelasting.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een omzetbelastingbeschikking ten aanzien van belanghebbende [X] B.V. Het eerdere arrest van de Hoge Raad van 8 maart 2013 vernietigde een uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling.
In het tweede cassatiegeding heeft de Staatssecretaris verschillende middelen ingediend, maar de Hoge Raad oordeelt dat deze middelen niet tot cassatie kunnen leiden. Er is geen noodzaak tot nadere motivering omdat de middelen geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en veroordeelt de Staatssecretaris in de proceskosten van het cassatiegeding, vastgesteld op € 980 voor rechtsbijstand. Tevens wordt een griffierecht van € 493 geheven. Het arrest is uitgesproken door de vice-president Overgaauw en raadsheren Van Vliet en Punt op 24 april 2015.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard.