In deze zaak vordert de Belastingdienst van eiser 1 en Aabo Trading Beheer B.V. opgave van buitenlandse bankrekeningen en vermogensbestanddelen die niet of onvolledig in hun belastingaangiften zijn verwerkt. Na diverse verzoeken en correspondentie verstrekt eiser 1 gedeeltelijke informatie, maar weigert verdere gegevens te leveren. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen toe, waarna het hof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep behandelt.
Het hof vernietigt de vonnissen voor zover de bevelen zonder restrictie zijn gegeven en legt een restrictie op dat het wilsafhankelijke materiaal slechts mag worden gebruikt voor belastingheffing. Deze restrictie verwijst naar een eerder arrest van de Hoge Raad uit 2013. Eiser stelt in cassatie dat deze restrictie onvoldoende is en dat een absoluut verbod op gebruik voor punitieve doeleinden moet gelden, zoals volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vereist zou zijn.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht een restrictie heeft opgelegd en dat deze niet neerkomt op een relatief verbod, maar een geoorloofde beperking. De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en veroordeelt eiser in de kosten van het geding. Hiermee wordt bevestigd dat het nemo tenetur-beginsel en het onderscheid tussen wilsonafhankelijk en wilsafhankelijk materiaal adequaat zijn toegepast in het kader van belastingheffing.