Belanghebbende exploiteert een apotheek en huurt bedrijfsruimte in een pand waarin ook huisartsenpraktijken zijn gevestigd. Belanghebbende heeft de kosten van de afbouw en inrichting van de huisartsenpraktijken voor haar rekening genomen en de betaalde omzetbelasting volledig in aftrek gebracht. De Inspecteur legde naheffingsaanslagen op omdat hij meende dat de aftrek niet toekwam voor de werkzaamheden die betrekking hadden op de huisartsenpraktijken.
Het Hof Den Haag oordeelde dat de huisartsen de afnemers waren van de werkzaamheden en dat de voorzieningen als relatiegeschenken of giften moesten worden aangemerkt, waardoor aftrek werd uitgesloten. De Hoge Raad stelt dat het Hof een onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd door het belang van de huisartsen mee te wegen bij de vraag wie afnemer is, en dat het oordeel over de rechtsbetrekkingen onvoldoende is gemotiveerd.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat de werkzaamheden niet als relatiegeschenken of giften kunnen worden aangemerkt omdat belanghebbende de kosten heeft gemaakt ter bevordering van haar eigen omzet. Daarom is de aftrekbeperking niet van toepassing. Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling.