Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.De conclusie van de Advocaat-Generaal
4.Beoordeling van de aanvraag
5.Beslissing
12 mei 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een vonnis van de Rechtbank Den Haag waarbij de aanvraagster werd veroordeeld wegens opruiing tot genocide in Rwanda. De aanvraagster stelde dat de intrekking van haar Nederlanderschap met terugwerkende kracht, verleend door de staatssecretaris, zou leiden tot het vervallen van de Nederlandse rechtsmacht en daarmee tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.
De Hoge Raad oordeelt dat de beschikking tot intrekking van het Nederlanderschap niet onherroepelijk is en daarom geen nieuw feit oplevert dat tot herziening kan leiden. Zelfs bij veronderstelde onherroepelijkheid leidt de terugwerkende kracht van de intrekking niet tot het vervallen van de rechtsmacht die ten tijde van de strafzaak bestond. De wetsgeschiedenis van de Rijkswet op het Nederlanderschap biedt geen aanknopingspunt dat intrekking met terugwerkende kracht de rechtsmacht in een lopende strafzaak kan doorkruisen.
Daarmee is de intrekking van het Nederlanderschap geen gegeven in de zin van artikel 457 Sv Pro dat herziening rechtvaardigt. De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af en bevestigt daarmee de geldigheid van de eerdere veroordeling en de Nederlandse rechtsmacht in deze zaak.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af omdat de intrekking van het Nederlanderschap met terugwerkende kracht niet leidt tot verval van de rechtsmacht.