ECLI:NL:HR:2015:1244

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 mei 2015
Publicatiedatum
19 mei 2015
Zaaknummer
14/01336
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering taakstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie

De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De advocaat-generaal adviseerde vernietiging van het arrest uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de opgelegde taakstraf, met vermindering daarvan, en verwerping van het beroep voor het overige.

De Hoge Raad oordeelde dat de eerste en tweede middelen niet tot cassatie konden leiden en dat deze geen nadere motivering behoefden. Het derde middel klaagde over overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, omdat de stukken te laat door het Hof waren ingezonden en de Hoge Raad zelf meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep uitspraak deed.

Hierdoor was de redelijke termijn overschreden, wat leidde tot vermindering van de opgelegde taakstraf van tweehonderd uren, subsidiair honderd dagen hechtenis, tot honderdtachtig uren taakstraf, subsidiair negentig dagen hechtenis. De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor dit onderdeel en verwierp het beroep voor het overige.

Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren in aanwezigheid van de waarnemend griffier tijdens een openbare terechtzitting op 19 mei 2015.

Uitkomst: Taakstraf verminderd tot 180 uur, subsidiair 90 dagen hechtenis wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

19 mei 2015
Strafkamer
nr. 14/01336
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, zitting houdende te 's-Hertogenbosch, van 27 december 2012, nummer 20/000399-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde taakstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het derde middel

3.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2.
Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde taakstraf van tweehonderd uren, subsidiair honderd dagen hechtenis.

4.Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;
vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze honderdtachtig uren, subsidiair negentig dagen hechtenis, bedraagt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
19 mei 2015.